Troonrede van 20 oktober 1823

Edel Mogende Heeren!

Wij mogen, dank zij de algoede Voorzienigheid!, ons wederom ontmoeten onder het voortdurend genot van de weldaad des vredes.

Elk Nederlander, die onbevooroordeeld om zich henen ziet, merkt, met erkentenis, de voorregten op, welke op zijnen vrijen en herbergzamen grond genoten worden.

Onze betrekkingen met alle de Mogendheden van Europa dragen steeds de kenmerken van wederkeerige vriendschap en welwillendheid.

De inwendige gesteldheid van Ons Rijk laat Ons toe, gestadig werkzaam te zijn aan de voltooijing der grondwettelijke instellingen, en aan de bevordering van het geluk des volks.

De goede voortgang der studien op de hooge scholen, de verspreiding der voordeelen van het lager onderwijs, en de bloei der schoone kunsten, blijkbaar.

Het tegenwoordige jaar heeft zich, niet minder dan de vorige, door een voordeeligen oogst gekenmerkt.

Een naauwgezet onderzoek van de belangen der landbouwers, in verband met die der gebruikers, heeft Mij tot de overtuiging geleid, dat de tusschenkomst der wet daarin niet vereischt wordt. De stukken, tot dat onderzoek betrekkelijk, zullen worden gedrukt en aan U Ed.Mog. medegedeeld. In de provincie Groningen vestigt zich eene maatschappij van landbouwers die een stelsel van crediet gaan oprigten op hunne eigendommen en de zelver vruchten. Hun doel is, om zich, altijd, tegen matige renten, gereede gelden te verzekeren, die zij daarna achtervolgens en gemakkelijk kunnen aflossen. Indien deze proeve wel slaagt, zullen andere provincien gewisselijk dat voorbeeld volgen, en, in de verlegenheid, waarin vele landbouwers zich , vooral in het afgeloopen jaar, bevonden hebben, zal dan voor het vervolg worden voorzien.

De geringe prijs, voor welke de levensmiddelen verkrijgbaar blijven, begunstigt ondertusschen alle de ondernemingen der volksnijverheid. Maar, hoe grooter de vruchtbaarheid van den grond en de werkzaamheid der ingezetenen is, hoe meer zorg er moet worden gedragen voor een regelmatig vertier naar buiten’s lands, hetwelk handel en scheepvaart levendig houdt,en steeds nieuw voedsel geeft aan Onze betrekkingen tot andere natien. De overtuiging van deze waarheid heeft, bij eene der wetten van de laatst voorgaande zitting, een middel doen vaststellen, om kracht en nadruk bij te zetten aan de onderhandelingen met andere Mogendheden over die gewigtige belangen. Deze onderhandelingen konden, uit haren aard, niet dan langzaam voortgaan. Eenige derzelve zijn in zulk eenen staat, dat men zich eenen niet ongunstigen uitslag mag beloven.

Tot hiertoe, heb Ik mij slechts éénmaal gedrongen gezien, om, door wederkeerige behandeling, den invoer van naburige voortbrengselen te beletten te beperken. Met leedwezen ben Ik tot deze afwijking van Onze milde beginselen overgegaan; het zoude mij hoogst aangenaam zijn, indien de zelve de herleving dier beginselen bij anderen bevorderen, en dus kortstondig wezen mogt.

In de overzeesche bezittingen heerschen, over het algemeen, orde, welvaar en rust.

De voortzetting der vroeger aangevangen werken van algemeen nut geschiedt onder gunstige vooruitzigten, en meer andere worden ondernomen ter verbetering en volmaking der groote communicatien van het Rijk.

De begrooting der uitgaven voor het volgend jaar, tot de tweede afdeeling behoorende, is gereed om aan U Ed.Mogenden te worden voorgelegd; op dezelve komen nieuwe posten voor, die een noodzakelijk gevolg zijn de invoering van het tegenwoordig stelsel van belastingen en der wetsbepalingen, op het einde van het vorig jaar daargesteld. Daarentegen is er gelegenheid gevonden tot bezuiniging op andere posten, zoo dat geene ver meerdering van opcenten zal noodig zijn.

Het Amortisatie-Syndicaat voldoet aanvankelijk aan het oogmerk zijne instelling. Eene inschrijving op deszelfs schuldbekentenissen is met Mijn goedkeuring geopend, tot krachtdadige bevordering het doel der wet, om de lasten Mijner beminde onderdanen, zoodra mogelijk, te verligten. De uitkomst heeft een vernieuwd en aangenaam bewijs opgeleverd van het algemeen vertrouwen, en U Ed.Mog. zullen met genoegen vernemen dat, met den aanvang van het volgend jaar, het bij de wet bepaald gedeelt der Syndicaats-opcenten dienvolgens zal kunnen worden opgeheven. Mijne aandacht blijft onafgebroken gevestigd op de middelen, welke, behoudens een goed en regelmatig beheer, nog kunnen worden aangewend tot uitbreiding van vereenvoudiging en spaarzaamheid; onderscheiden maatregelen zijn daartoe door Mij genomen en voorbereid, van welke Ik mij eene goede uitkomst belove.

De invoering van het nieuw stelsel van belastingen heeft, zonder wezenlijke botsingen, plaats gehad, doch is verzeld geweest van moeijelijkheden, dit onafscheidelijk zijn van nieuwe regten. De opbrengsten van het eerste jaar, waarover nog geen volledig oordeel te vellen is, zullen waarschijnlijk daar mede in verband staan. Van de zachtheid der wettelijke voorschriften is, hier en daar, misbruik gemaakt, om de gewenschte evenredigheid van laste te ontduiken. De gedane teregtwijzingen, het pligtgevoel, en de aanstaand aanzienlijke vermindering der opcenten op de personele belasting, zullen, zoo ik hoop, die evenredigheid herstellen. Doch indien deze billijke verwachting mogt falen, zal ik, met vertrouwen, strengere verordeningen aan U Ed. Mogenden voordragen, en alzoo Mijne minvermogende onderdanen waarborgen, tegen den last, welke anders, in de gevolgen, op hunne schouderen zoude terugkeeren.

De opbrengst der regten op het zegel, de registratie, griffie, hypotheken en successien was geraamd naar de, aan Uwe vergadering, in hare vorige zitting, voorgedragene wijzigingen; het niet tot stand komen derzelve heeft een’ wezenlijken invloed daarop gehad. Aan U Ed.Mog. zullen eerlang nadere voorstellen worden aangeboden, om dezen tak van inkomsten, voor het volgende aar, aan de verwachting te doen beantwoorden.

Ook zal deze zitting, zoo Ik vertrouwe, het gewigtig onderwerp der nederlandsche wetgeving merkelijk doen vorderen. Uwe raadplegingen over het Burgerlijk Wetboek stellen Mij in staat, om, reeds dadelijk, onderscheidene ontwerpen van wetten aan U Ed.Mog. aan te bieden, waardoor, met uitzondering van de stoffe van het pandregt, het tweede boek voltooid zal zijn. Naar mate U Ed.Mog. in het voorbereidend onderzoek van het oorspronkelijk ontwerp zullen voortgaan, zal de zamenstelling der overige gedeelten, met gelijken ernst en nadruk, geschieden.

Uwe tegenwoordige vergadering, die Ik hiermede voor geopend houde, zal gewisselijk nieuwe blijken opleveren van de eenstemmigheid Onzer bedoelingen en inzigten, tot bevordering van den voorspoed van Ons dierbaar vaderland.

Troonrede van 21 oktober 1822

Edel Mogende Heeren!

Bij het openen uwer vergadering is het Mij bijzonder aangenaam, U Ed.Mog. wederom de verzekering te kunnen geven, dat onze buitenlandsche betrekkingen, wederzijds, door vriendschappelijke onderhandelingen, gestadig zijn aangekweekt. Wij hebben stof tot dankbaarheid wegens het voortdurend genot van den dierbaren vrede, en mogen het streelend vooruitzigt koesteren op het behoud van dien zegen.

Ook de inwendige welvaart der Nederlanden heeft toegenomen. De voortbrengselen van den landbouw zijn, over het algemeen, overvloedig geweest; de weldadige invloed van de daaruit ontstane lage prijzen heeft zich in de huisgezinnen der minvermogenden verspreid. Vele landbouwers hebben daarentegen door diezelfde oorzaak geleden; hunne belangen, in verband met die der gebruikers, zijn reeds op Mijn last opzettelijk onderzocht; en het verslag deswege houdt Mijne ernstige overwegingen gaande.

Wanneer in handel en zeevaart en in de menigvuldige bedrijven, aan welke dezelve leven en kracht bijzetten, het evenwigt nog niet hersteld is, dat de gebeurtenissen van een vroeger tijdvak hebben verbroken, zoo mogen de gematigdheid en mildheid, van welke onze onlangs herziene wetten getuigenis dragen, ons op goede gronden eene betere uitkomst doen hopen. Vele takken van nationale nijverheid zullen daardoor bevorderd worden; en alle zullen begunstiging kunnen vinden in de algemeene nationale instelling, waartoe Ik de domeinen, Mij, bij de wet, in eigendom toegekend, denk aan te wenden.

De kunsten en wetenschappen bloeijen; het lager onderwijs verspreidt zijne weldaden meer en meer onder alle standen.

Vele werken van algemeen nut zijn ondernomen, of worden met nadruk voortgezet. Uit de voorstellen, aan Uwe Vergadering te doen, zal aan U Ed.Mog. kenbaar worden de wijze, waarop ik meene, dat door het Rijk, in het algemeen belang, tot dezelve moet worden bijgedragen.

De groote wegen der eerste klasse zijn in gocden staat, en in zoodanige provincien, welke de maatregelen van ’s Lands Regering ondersteund hebben, is ook de gesteldheid der groote wegen van de tweede klasse aanmerkelijk beter dan te voren. Wanneer de achterlijke provincien, door eigen overtuiging, het nut dier maatregelen zullen inzien, dan is er gegronde hoop, dat, binnen weinige jaren, de staat van alle bedoelde wegen niets te wenschen zal overlaten.

Het onderzoek nopens de beste afleidingen, welke aan de wateren van den Rijn en deszelfs takken zouden kunnen gegeven worden, gaat voort, met zoo veel spoed, als het groot gewigt der zaak, en de daartoe noodzakelijke opnemingen, het toelaten.

Men houdt zich onafgebroken bezig met het voltooijen en allengs in werking brengen van het stelsel, omtrent de inrigting der gevangenissen aangenomen; de voordeelige uitkomst daarvan zal reeds met het aanstaande jaar voelbaar worden.

Op Onze overzeesche betrekkingen hebben de omstandigheden van den algemeenen handel derzclver invloed ultgeoefend. In de voornaamste der Nederlandsche kolonien vermeerdert desniettemin de inwendige welvaart, en worden de tevredenheid en het volksgeluk meer en meer op hechte grondslagen bevestigd. Na de roemrijke overwinning, door Onze zee- en landmagt in Oost-Indie behaald, is de rust nergens gestoord noch zelfs bedreigd geworden, en onafgebroken blijft zich de zorg van het bestuur daar henen strekken, dat, ook in de verst afgelegene gewesten, ieder Mijner onderdanen steeds de bewustheid hebbe, van te leven onder welwillende bescherming, van een krachtig, en tevens vaderlijk gezag.

De jongste vergadering van U Edel Mog. was vruchtbaar in belangrijke financiele raadplegingen. De tegenwoordige zal, zoo Ik mij vleije, bijdragen tot volmaking van hetgeen in vroegeren verordend is.

De raming der inkomsten, behoorende tot de tweede afdeeling der begrooting, welke aan U Edel Mog. staat aangeboden te worden, zal gegrond zijn op het nieuw aangenomen stelsel van belastingen, dat met den aanvang van het volgend jaar zal worden ingevoerd. Alle voorbereidende maatregelen worden genomen, om den overgang daartoe, regelmatig en zonder botsing, te doen plaats hebben.

Een voorzigtig bestuur zal de zwarigheden, die van alle nieuwe instellingen onafscheidelijk zijn, te boven komen, en den weg banen om de opbrengsten tot die hoogte te brengen, welke alle financiële zorgen voor de toekomst kan doen verdwijnen.

Mijn bestendig verlangen om de lasten rnijner beminde onderdanen, zoo veel mogelijk, te verligten, heeft mij niettemin, bij aanhoudendheid, doen bedacht zijn op schikkingen en bezuinigingen, die de uitgaven, begrepen in de tweede afdeeling der begrooting, over het aanstaande jaar, zouden kunnen doen beperken.

De berekening dier uitgaven, welke aan Uwe Vergadering zal worden voorgelegd, is beneden de raming over het loopende jaar, niettegenstaande de rente van de nieuwe schuld, voor buitengewone behoeften gecreëerd, daar in is moeten worden opgenomen. Eene vermindering van opcenten zal dus mogelijk zijn.

De middelen tot voorzlening in de behoeften, welke reeds in de vorige zitting ter kennis van Uwe Vergadering gebragt zijn, zullen gelijktijdig, en in verband met de begrooting, aan U Ed.Mog. worden opgegeven. Zij zullen een gedeelte uitmaken van een ontwerp van wet, hetwelk, in het algemeen ten oogmerk heeft, meer doelmatige, en voor de schatkist, zoo wel als voor de ingezetenen, meer voordeelige bepalingen, omtrent somrnige geldelijke staats-inrigtingen en belangen, daar te stellen.

De ineensmelting van het binnenlandsch lastgeld met de belasting op de patenten zal tijdig genoeg aan U Ed.Mog. worden voorgedragen, om over het geheel volgend jaar te werken, en het zal Uwe Vergadering aangenaam zijn te vernemen, dat eene verligting van alle de patentpligtigen daarvan het gevolg zal wezen.

Ik heb met een bijzonder genoegen den voortgang opgemerkt, welke aanvankelijk, en vooral in Uwe laatst afgeloopen zitting, met het belangrijk werk der nederlandsche wetgeving is gemaakt. Ik houde Mij verzekerd, dat U Ed.Mog., op het ingeslagen spoor rustig voortgaande, door kalm en bedaard overleg, de wenschen der natie ten dezen zullen vervullen, zoo spoedig als de aard en gewigt van zulk een werk dit gedoogen.

Eerlang zal ook het wetboek van koophandel aan Uwe beraadslagingen kunnen worden onderworpen. Eene vaderlandsche wetgeving op dat onderwerp zal voor de Nederlanders eene bijzondere weldaad zijn, en Ik ben steeds overtuigd van den ijver van U Ed.Mog., om met Mij mede te werken tot alles, wat het geluk van Mijn bemind volk kan vermeerderen en duurzaam maken.

Troonrede van 15 oktober 1821

Edel Mogende Heeren!

Het strekt mij tot een bijzonder genoegen, U Edel Mog., bij de opening van hunne tegenwoordige vergadering, opnieuw te kunnen mededeelen, dat Onze betrekkingen tot alle Mogendheden, met wederzijdsche welwillendheid, zijn onderhouden. Hoezeer de onlusten, in de Levant gerezen, bekommering hebben verwekt, bestaat er echter gegronde hoop op het behoud van den vrede. De algoede Voorzienigheid bekroone de daartoe aangewende pogingen met Haren zegen. Zij doe de rust herleven overal, waar onlusten heerschen, en schenke Ons de voortduring eener weldaad, die het eerste beginsel is van voorspoed, en dus zoo dierbaar zijn moet aan elk opregt beminnaar van zijn vaderland.

De inwendige gesteldheid van het Rijk levert in het algemeen goede uitzigten op.

De vrees voor een’ min gunstigen oogst is, in de meeste provincien, gelukkig verdwenen; en Wij mogen Ons, over het geheel, ruimte van levensmiddelen en matige prijzen derzelve beloven.

De handel en zeevaart zijn niet achteruit gegaan, en men mag zich met de verlevendiging derzelve, in de toekomst, vleijen. Niettegenstaande den milden invloed van eenige vredes-jaren, bevinden zich alle gedeelten van het fabrijkwezen niet in eenen gelijk voordeeligen toestand; zeer belangrijke onder dezelve hebben echter, in de laatste tijden, sterk in levendigheid gewonnen, en over gebrek aan arbeid, kan weinig, met grond, worden geklaagd.

In het verslag, hetwelk onlangs aan U Ed.Mog. is ingeleverd, zullen zij de bewijzen hebben aangetroffen van den ijver, met welken de wetenschappen worden beoefend, en van de snelle uitbreiding der weldaden van cen doelmatig onderwijs onder de minvermogende volksklasse. Ook van den steeds toenemenden bloei der fraaije kunsten, heeft menige eervolle wedstrijd, en meer dan eene tentoonstelling, getuigd.

De gewestelijke, stedelijke en landelijke besturen nemen dagelijks een’ meer geregelden en vasten gang; de verbeteringen, welke de ondervinding te deze aan mijne zorg aanbeveelt, maken een onderwerp uit mijner ernstige overwegingen.

De communication tusschen de onderscheidene gedeelten van het Rijk worden meer en meer gemakkelijk gemaakt; die tusschen de beide residentien is aanmerkelijk verbeterd, en ik voede de hoop, dat, door de medewerking der belanghebbende gewesten, aan handel, landbouw en nijverheid, eene nieuwe bron van voorspoed zal kunnen worden geschonken, door den aanleg eener vaart tusschen ’s Hertogenbosch en Maastricht.

Onder de verbeteringen, waarop de zucht voor het welzijn Mijner onderdanen, Mijne aandacht gevestigd houdt, zijn als hoogstgewigtig te beschouwen de afleidingen, welke aan de wateren van den Rijn, en deszelfs takken, zouden kunnen worden gegeven, om voor te komen de onheilen, waarmede een aanzienlijk gedeelte van het Rijk, bij ijsgang en hooge vloeden, steeds bedreigd is. Deze aangelegenheid is thans het voorwerp van een opzettelijk onderzoek.

De inrigting der gevangenissen, was Mij sedert lang voorgekomen, vatbaar te zijn voor nuttige wijzigingen. Ik heb dezelve in alle hare bijzonderheden doen nagaan, en het verslag deswege heeft Mij in mijne meening bevestigd, indien het stelsel, hetwelk, dien ten gevolge, bij Mij in overleg is, en waarvan Ik reeds eenige groote omtrekken heb aangenomen, in al deszelfs onderdeelen uitvoerlijk mogt worden bevonden, dan zal daaruit niet alleen verbetering van den zedelijken toestand der gevangenen voortvloeijen, maar tevens, op den duur, bezuiniging voor de schatkist ontstaan. Ik zal aan het verwezenlijken van dat denkbeeld, door achtervolgends te nemen proeven, doen arbeiden.

Onvoorziene rampen hebben sommige oorden in onze overzeesche bezittingen getroffen, doch het laat zich aanzien, dat zij de gevolgen daarvan spoedig zullen kunnen te boven komen, en wij mogen Ons vleijen, dat het gewigt, hetwelk Nederlands betrekkingen met Oost-Indie thans reeds op de schaal des algemeenen handels hebben, nog zal toenemen en vermeerderen. Het is voor mij niet minder aangenaam aan U Ed.Mog. kennis te geven, dan het voor uwe vergadering zijn zal te vememen, dat de haar aan te bieden raming der inkomsten, met die der uitgaven, voor de tweede afdeeling der begrooting, over het volgend jaar, in eene gewenschte evenredigheid staat. Deze uitkomst, waarvan de natie het volkomen genot zal hebben, zoodra het nieuw financieel stelsel in werking zal komen, is intusschen grootelijks voorbereid, eensdeels door de bezuinigingen, welke Ik voortga allerwege te doen daarstellen, voor zoo verre ’s Rijks welbegrepen belangen zulks gedoogen, en anderdeels door Mijn voornemen, om, tot bestrijding van sommige behoeften, welke anders uit de begrooting zelve zouden moeten gevonden worden, alsmede tot dekking van achterstanden en geheel buitengewone uitgaven, afzonderlijke middelen aan U Ed.Mog. voor te dragen. Die middelen zullen, noch tot vermeerdering der nationale schuld, noch tot bezwaar der ingezetenen behoeven te leiden.

De bijzondere ordonnantien, welke, naar aarleiding der jongste financiële wet, moeten worden daargesteld, zijn voor het grootst gedeelte reeds ontworpen, en zullen, zoodra doenlijk, aan U Ed.Mog. worden voorgelegd. Bij de zamenstelling derzelve wordt bestendig in het oog gehouden de bedoeling, om het belang der schatkist met het minst mogelijk bezwaar voor de schatpligtigen te vereenigen.

De opbrengst der middelen over het loopende jaar belooft eene uitkomst gelijk aan die over het voorgaande. Indien enkele middelen zijn vooruit gegaan, hebben andere daarentegen, verloren, en de ondervinding van dit jaar staaft dus op nieuw de noodzakelijkheid, die er bestond, om het stelsel te herzien, wilde men een einde maken aan het jaarlijksch te kort, hetwelk den best zaamgestelden Staat eindelijk zoude te gronde brengen.

Ik heb mij verblijd in uwe laatste zitting de zwarigheden te zien verdwijnen, welke zich aanvankelijk hadden opgedaan, opzigtelijk de wijze, waarop het ontwerp van burgerlijk wetboek zoude worden onderzocht. Van Mijne zijde heb ik getracht het gemeen overleg met de Staten-Generaal, te dien aanzien, te bevorderen. Weldra zullen aan uwe vergadering, over zeer gewigtige punten tot dat wetboek behoorende, welke reeds bij haar in overweging zijn geweest, nieuwe ontwerpen worden voorgedragen. Ik rekene op Uwe voortdurende medewerking in het bevorderen van ’s Lands belangen, omtrent dit en de verdere onderwerpen, welke, in den loop dezer zitting, nog ter tafel van U Ed.Mog. zouden kunnen worden gebragt.

Troonrede van 16 oktober 1820

Edel Mogende Heeren!

Sedert de laatste reize, dat Ik in uwe vergadering verschenen ben, heeft Mijn Huis twee smartelijke verliezen geleden.

Mijne geliefde Zuster, de Hertoginne Douanière van Brunswijk-Lunenburg, en Mijne Hooggeachte Moeder, de Prinsesse Douanière van Oranje-Nassau, geboren Prinsesse van Pruissen, zijn Mij door den dood ontrukt; Hare nagedachtenis, voor Mijn hart zoo belangrijk, is verknocht met herinneringen aan deugdzame en grootmoedige beginselen, door beide zoo getrouwelijk beoefend.

Van eenen anderen kant, is Mijn Huis ook wederom op nieuw gezegend door de geboorte van eenen derden Telg van Mijnen beminden oudsten Zoon, den Prins van Oranje.

De gevoelens van deelneming in Mijne smart, zoo wel als in Mijne vreugde, door de Nederlanders, bij die gelegenheden zoo ondubbelzinnig aan den dag gelegd, zijn door Mij op hoogen prijs gesteld; zij kunnen zich overtuigd houden, dat Ik steeds zal volharden in die bedoelingen, waardoor Ik den voorspoed en het geluk van Mijn volk meer en meer hoop te bevestigen.

Bij de opening uwer tegenwoordige vergadering, begin Ik met de mededeeling, dat onze buitenlandsche betrekkingen, met wederkeedge welwillendheid, zijn onderhouden.

Het strekt Mij tot een genoegen, U Ed.Mog. te kunnen verzekeren, dat Ik alle hoop blijve voeden voor het behoud van den, voor ons, zoo dierbaren vrede.

Door vriendschappelijke onderhandelingen met het britsche gouvernement, is het Mij mogen gelukken, eene schikking daar te stellen, welke, door Mijnen Hoogen Bondgenoot, den Koning van Groot-Brittannie, is gesanctionneerd, volgens welke, eene nadere wijziging is gegeven aan het eerste artikel der overeenkomst, regelende den handel der nederlandsche grondeigenaren en hijpotheekhouders in de volkplantingen van Demerarij, Essequebo en Berbice; waardoor de bevoegdheid van de vaart met de, bij dat eerste artikel, vermelde schepen, nog van eenen nieuwen termijn van vijf jaren wordt vergd.

De pogingen van Mijnen zaakgelastigde te Konstantinopolen, ondersteund door de bemoeiingen van den gezant van Mijnen hoogen Bondgenoot, den Keizer van Rusland, hebben het gelukkig gevolg gehad, dat de Ottomanische Porte Onze oude regten tot de vaart in de Zwarte zee heeft erkend; de nederlandsche vlag heeft zich reeds in die zee vertoond, en Ik vleije Mij, dat nieuwe bron, aan Onze nijverheid geopend, niet onvruchtbaar wezen zal.

Met geen minder genoegen kunnen wij het oog vestigen op de inwendige gesteldheid van het Rijk.

Het provinciaal en plaatselijk bestuur heeft, volgens de bestaande reglementen, eenen geregelden loop, zoo dat, met naauwkeurigheid en zonder overijling, de verbeteringen zullen kunnen worden beoordeeld, waarvoor deze reglementen zouden kunnen vatbaar zijn.

De aanvankelijke invoering van het nieuwe stelsel der maten en gewigten geschiedt onder geene ongunstige voorteekenen.

Met het beste gevolg heeft, wederom dit jaar, de ligting voor de nationale militie plaats gehad; de opgeroepenen voldoen met bereidwilligheid aan hunne verpligtingen.

De organisatie van het geneeskundig onderzoek en toevoorzigt heeft die goede gevolgen, welke van dezelve verwacht worden; onder dezen zijn, in het bijzonder, de gelukkige voortgang der koepok-inënting en de verbeterde uitoefening der geneeskunde ten platten lande te tellen.

De administrate van den Waterstaat heeft eene nieuwe inrigting bekomen; beheer van vele daartoe betrekkelijke werken, de groote wegen daaronder begrepen, is aan de provincien overgedragen, onder de noodige bepalingen, zoo wel opzigtelijk de uitoefening van dat beheer, als omtrent de wijze, om, in de bekostiging dier werken, te voorzien.

Ik voede de hoop, dat deze genomen proeve, door de goede gezindheid en ijverige pogingen der provinciale Staten, aan het oogmerk van derzelver verordening beantwoorden zal, en, gevolgelijk, tot eene bezuinigende en meer verkorte behandeling van zaken kunnen leiden. Intusschen zal de ondervinding, van zelve, de wijzigingen kunnen aan de hand geven, die, ten aanzien der gemaakte bepalingen, nog voegzaam en noodzakelijk zouden kunnen gerekend worden.

De waterkeeringen, die, in den laatsten winter, door stormen, ijsgang en hoog opperwater, zijn bezweken of beschadigd, zijn of worden hersteld. Bij gelegenheid van deze treffende ramp, heeft de natie nieuwe bewijzen gegeven van het weldadig karakter, dat haar zoo bijzonder kenschetst.

De ontginning en bebouwing van woeste gronden wordt, in eenige gedeelten van het koningrijk, met ijver voortgezet, en verschaft aan vele bebehoeftigen werkzaamheid en middelen van bestaan. De belangelooze pogingen dergenen, die zich, tot bevordering van soortgelijke oogmerken, in eene maatschappij hebben vereenigd, verdienen allen lof, zoo wel als de krachtdadige ondersteuning der ingezetenen.

De werken van het maritieme etablissement aan het Nieuwe Diep naderen aan hunne voltooijing.

Met die der groote noordhollandsche-kanaalvaart wordt voortgegaan, in het gegronde vooruitzigt, dat, daardoor niet alleen, voor den handel, de belemmeringen zullen worden opgeheven, waaraan de communicatie van Amsterdam met de Noordzee thans is onderworpen, rnaar tevens ook voordeel en gerijf aan ’s Lands zeemagt aangebragt worden.

Aan de uitvoering der wet, den nederlandschen achterstand betreffende, wordt, op eene regelmatige wijze, de hand gehouden. De commissie, met dezen moeijelijken en omslagtigen arbeid belast, gaat daarin met ijver voort; van Mijne zijde wordt alles aangewend, waardoor eene zoo veel mogelijk bespoedigende afdoening zal te bevorderen zijn.

Het gunstig verslag, hetwelk, even vóór den afloop der laatste Vergadering, en dus nog zoo kort geleden, aan U Edel Mogende is gedaan, heeft dezelve met den staat van het hooger en lager onderwijs en met de goede vooruitzigten, die hetzelve oplevert, genoegzaam bekend gemaakt.

De oogst is bijzonder voorspoedig geweest, zelfs in de meeste dier streken, welke, door overstroomingen, hadden geleden. Hoezeer, daardoor, de landman eenen minderen prijs voor zijne veldvruchten heeft verkregen, en de speculatien van sommigen zijn verijdeld, moet echter de overvloed van het gewas steeds, en in betrekking tot de algemeene volksklasse, als een zegen worden aangemerkt.

De haringvisscherij heeft niet gedeeld in den voorspoed der andere visscherijen.

De nederlandsche handel en zeevaart hebben wel geene aanmerkelijke veranderingen ondergaan; doch, bij eene opmerkzame beschouwing van den staat der zaken, kan het niet twijfelachtig zijn, dat, in deze, bij vergelijking althans met andere natien, over geene verachtering geklaagd kan worden.

De administratie in de kolonien gaat met eenen geregelden tred voort, en kan, bij eene verdere ontwikkeling, heilzame gevolgen voorspehen. Intusschen doen de uitvloeisels van de vaart en den handel op de beide Indien, zich, in voorname steden, en in andere gedeelten van het Koningrijk, zigtbaar gevoelen.

De tentoonstelling der nationale nijverheid heeft mede aan alle niet onbillijke verwachtingen voldaan; de onderscheiden gedeelten van den nederlandschen Staat hebben, wederkeerig, hunnen rijkdom en hunne voortbrengselen van allerlei aard leeren kennen, zoo wel als de uitbreiding, waarvoor hunne kunstvlijt vatbaar is.

De staat van ’s Rijks financien heeft, sedert de opening uwer laatste vergadering, geene aanmerkelijke en, althans zeker, geene ongunstige veranderingen ondergaan.

Het publiek crediet heeft zich staande gehouden; de vermeerderde waarde van ’s Lands publieke fondsen levert daarvan een bewijs op.

De opbrengst der accijnsen, hoezeer, uit deszelfs aard, altijd onzeker zal, bij den afloop van dit jaar, blijken eene voordeeliger uitkomst, dan in het vorige, op te leveren.

Het voorloopig verslag der werkzaamheden van de, door Mij, benoemde commissie tot herziening van het stelsel der In- en Uitgaande Regten en Accijnsen, is het onderwerp mijn ernstige overweging.

Deze overweging levert zoo vele verschillende en belangrijke oogpunten van beschouwing op, dat een rijp onderzoek en overleg, met vermijding van alle overhaasting, vereischt wordt, om tot eene keuze te komen, Of en welke meer of min groote veranderingen of wijzigingen in het thans bestaande stelsel zouden behooren gemaakt te worden.

Voor zoo verre, derhalve, nopens te maken veranderingen, eenige wettelijke bepalingen, gedurende de tegenwoordige zitting, aan U Ed.Mog. zullen kunnen worden voorgedragen en ter conclusie gebragt, zullen echter deze bepahngen op den dienst van 1821 van geenen invloed kunnen zijn.

Op dit beginsel rusten dan ook de fmanciele wetten, welke, bij de te doene voordragt, tot het vaststellen der tweede afdeeling van de begrooting voor den jare 1821, en van de middelen, om de daar in vervatte uitgaven te bestrijden, aan U Ed.Mog. zullen worden aangeboden.

Behalve deze financiele wetten, zal, op nieuw, aan uwe deliberatien worden onderworpen de wet op de schutterijen. Ook zullen ontwerpen van wet, rakende het armwezen, de vondelingen en verlaten kinderen, en eenige andere, welke nog het onderwerp Mijner overwegingen uitmaken, waarschijnlijk aan U Ed.Mog. worden aangeboden.

Bovendien is er nog een gewigtig werk voor U Ed.Mog. te verrigten: Ik bedoele de deleberatien over de nederlandsche wetboeken.

Het ontwerp van het Burgerlijk Wetboek zal, in zijn geheel, eerstdaags, aan U, Edel Mogenden worden aangeboden.

Men houdt zich bezig met het bewerken en voltooijen der verdere wetboeken, in de hoop, dat de staat uwer deleberatien, over het eerstgemelde, Mij in de gelegenheid stellen zal, om dezelve, nog vóór den afloop dezer raadplegingen, aan U Edel mogenden in te zenden.

lk vleije Mij, te mogen verwachten, dat de overweging dier ontwerpen zal worden aangevangen en voortgezet op eene wijze, en met het voornemen, om een genoegzaam en, met het belang der zaak, overeenkomstig onderzoek te doen gepaard gaan met dien spoed en met dien geest van onderlinge overeenstemniing en toegevendheid, dat eene vruchtbare afkomst, aan het nederlandsche volk, het uitzigt opene, van niet lang meer verstoken te zullen zijn van het hem toegezegde en door alle weldenkenden verlangde voorregt, om eene wijze, duurzame en met den gang des tijds overeenstemmende nationale wetgeving daargesteld, en eene daarmede onafscheidelijk verbonden zamenstelling van de regterlijke magt, ingevoerd te zien.

Op deze wijze zal de laatste hand worden gelegd aan eene der voorname instellingen der Grondwet van het Rijk.

De nakoming, geregelde uitvoering en onderhouding dier Grondwet, in alle derzelver voorschriften, met de pligten en regten, daaraan verbonden, is het doel van alle Mijne zorgen en pogingen; en, voor zoo verre, tot bereiking van deze oogmerken, het overleg met de Staten-Generaal en derzelver medewerking vereischt wordt, vertrouwe Ik vastelijk, van de wijsheid vaderlandsliefde van Uw Ed.Mog., daarin, door dezelve, steeds te zullen ondersteund worden.

Openingsrede van 18 oktober 1819

Edel Mogende Heeren!

De Koning heeft ons, den last gegeven, in zijnen naam, de zitting van U Ed.Mog. te openen.

Dien eervollen last komen wij volbrengen, maar, Ed.Mog.Heeren, hoe smartvol is die, welke ons tevens door den Koning is opgedragen, om namelijk van zijnentwege ter kennis van U Ed.Mog. te brengen, het verscheiden van ’s Konings beminde Zuster de Prinses FREDERIKA LOUIZA WILHELMINA, Hertoginne Douanière van Brunswijk-Lunenburg, geboren Prinses van Oranje Nassau.

De diepe droefheid van den Koning heeft hem niet toegelaten om in persoon zoodanige mededeelingen aan U Ed.Mog. te komen doen, als welke, bij iedere zitting, tot de liefde, het vertrouwen, en de dankbaarheid der natie hebben bijgedragen.

De natie zal ’s Konings droefheid gevoelen, Zij zal daarin deelen. Bewust zijn haar de vele deugden van de Prinsesse Louiza, de goedheid en de weldadigheid dier Vorstin, – Zij is niet meer!

Niets zullen wij bij deze treurige woorden voegen. Wij gaan over om aan U Ed.Mog. de voorlezing te doen van de aanspraak, met welke de Koning van voornemen was, de zitting van U Ed. Mog. te openen:

Edel Mogende Heeren!

Ik opene heden Uwe vergadering met eene des te grootere belangstelling, naar mate U Ed.Mog. zullen geroepen worden, om, in deze gewone zitting, te raadplegen over onderwerpen van het allereerste gewigt, waaromtrent de beslissing, als het ware, de laatste hand zal leggen aan de voltooijing van Ons Staatsgebouw.

Bij den aanvang van zulke overwegitigen zal het, vertrouwe Ik, U Ed.Mog. niet minder aangenaam zijn, te vernemen, dan ik genoegen ondervinde, Haar te kunnen mededeelen, dat alle Onze buitenlandsche betrekkingen, op den meest vertrouwelijken en vriendschappelijken voet, bij voortduring, zijn onderhouden geworden, en dat eene vredelievende gezindheid steeds de onderscheiden Mogendheden bezielt. Wij mogen Ons dus, onder inwachting van ‘s Hemels zegen, vleijen, dat eene heilzame rust, onder alle de volken van Europa, zal blijven heerschen.

lk heb, bij de opening uwer vorige zitting, U, Ed.Mog. aangekondigd, dat, in deze tegenwoordige, het ontwerp van de nederlandsche wetboeken zoude kunnen worden aangeboden. Die arbeid, volgens het voorschrift der Grondwet behandeld, zal, bij gedeelten, aan uwe raadplegingen worden onderworpen. Voor elk vrij en onafhankelijk volk is het eene behoefte, eene vaderlandsche wetgeving te bezitten, en het tijdstip zal dus hoogst belangrijk zijn, waarop het geheel zamenstel derzelve, als Staatswet, zal kunnen worden afgekondigd.

Het oogenblik is genaderd, waarop de splitsing van de begrooting der uitgaven van het Rijk in twee afdeelingen moet plaats hebben. Ik heb die splitsing doen voorafgaan door voorbereidende maatregelen, tot invoering van verdere besparingen. In het bijzonder is het in werking brengen van de bepalingen der Grondwet, ten aanzien van den Waterstaat, in diervoege voorgenomen, dat, aan de Staten der provincien, een uitgestrekt beheer zal worden gegeven, over de werken daartoe betrekkelijk. Het denkbeeld, dat, van derzelver huishoudelijk bestuur, goede gezindheid en ijverige behartiging der hun toevertrouwde belangen, gepaste vereenvoudiging en aanzienlijke bezuinigingen te wachten is, heeft verder geleid tot de bedoeling, om ook andere voorwerpen, op gelijke wijze, aan de zorg der Provinciale Staten op te dragen. Op zulke beginselen zijn de ontwerpen ingesteld, welke, op mijn’ last, eerstdaags, aan Ul. vergadering zullen worden aangeboden, zoo van de eerste afdeeling der begrooting van de uitgaven van het Rijk over een tienjarig tijdvak, als van de buitengewone behoeften voor den jare 1820. De meest zorgvuldige overweging heeft, bij de berekening der uitgaven, plaats gevonden. De kosten der landmagt maken steeds een bezwarend’ gedeelte van dezelve uit; maar de verhouding dier kosten tot de benoodigdheden, welke, daarmede, moeten worden bestreden, levert het bewijs op van de spaarzaamheid, waarmede de uitvoering der voorschriften’ van de grondwet, op dat gewigtig onderwerp, is geregeld. Elk Uwer,’Ed.Mog. Heeren, die zich, met mij, plaatst op het standpunt, vanwaar de hoofdbelangen van het volk van Nederland moeten worden overzien, zal wel met mij deelen in den wensch, dat de omstandigheden eene vermindering van dat bezwaar mogten toelaten, maar tevens in de overtuiging, dat Onze ligging en Onze betrekkingen van mij vorderen, om het voorbeeld van de andere mogendheden, ten deze, af te wachten.

Uit de aan Uwe vergadering mede te deelen ramingen van ’s Rijksgewone en buitengewone inkomsten, zullen U Ed.Mog. ontwaren, dat de eerste als voldoende kunnen beschouwd worden, en dat de laatste, in gelijke evenredigheid met de buitengewone behoeften van het volgend jaar, zonder verhooging der bestaande, noch invoering van nieuwe belastingen, zullen kunnen worden opgevoerd. En zoo al het stelsel om onderscheiden, tot nu toe, op de algemeene begrooting van staatsbehoeften gebragte uitgaven, aan de provincien over te laten, tot eenige, door de Staten voor te dragen nieuwe maatregelen, aanleiding moge geven, verwachte ik, dat de daaruit voort te vloeijen last gering zal kunnen wezen.

Het is mij onraadzaam voorgekomen, om, bij het intreden van het eerste tienjarig financieel tijdvak, de schatkist, met eenige uit vroegere diensten voortspruitende en ongedekte uitgaven, bezwaard te laten. De maatregelen daartoe zuflen mede een der eerste onderwerpen van Uwlieder beraadslagingen uitmaken, en ook daarbij zal geene vermeerdering van ’s Rijks middelen in aanmerking behoeven te komen.

De wet vordert, dat, bij deze zelfde gelegenheid, de staat van ’s lands amortisatie-kas aan Uwe vergadering worden medegedeeld. Die mededeeling zal aan U Ed.Mog. doen zien, dat deze instelling, hoezeer slechts sedert weinigejaren in werking, niet alleen het doel bereikt heeft van een’ nuttigen invloed op het vast staan der prijzen van onze publieke fondsen, maar daarenboven aanzienlijke onbezwaarde kapitalen heeft verkregen, ten nutte van de rentheffers van den Staat.

Ik hoop wijders, in den loop dezer zitting, het ontwerp der instructie voor de Algemeene Rekenkamer aan Uwe Vergadering te kunnen inzenden, en daarmede de regeling te voltooijen van al hetgeen, op het stuk der financien, aan de wetgevende magt is voorbehouden gebleven.

Ten aanzien der vast te stellen bepalingen van binnenlandsch bestuur op de weinige onderwerpen, waaromtrent de verpligtingen en voorregten der Nederlanders nog niet, in alle de gedeelten van het Rijk, gelijk zijn, vleije ik mij even zeer, nog, gedurende Uwe tegenwoordige zitting, de medewerking van U Ed.Mog. te kunnen verlangen. De voordeelen van Onze grondwettelijke instellingen moeten door alle Nederlanders gelijkelijk worden genoten. Ook het Groot-Hertogdom Luxemburg, hetwelk, in zijne betrekkingen tot het Duitsche Bondgenootschap, afzonderlijke pligten te vervullen heeft, moet, in het plegtig verbond, tusschen de Nederlanders en hunnen Souverein bestaande, den zekeren waarborg vinden en behouden, dat die pligten altijd in verband zullen staan met de voorregten, aan hetzelve, bij dat verbond, verzekerd.

De vruchten van den landbouw worden, dit jaar, over het algemeen, in meer dan gewonen overvloed, genoten. Zij geven ruime middelen tot gemoetkoming op die enkele plaatsen, alwaar de oogst minder voordeelig is geweest. De ontginningen houden vele eigenaars bezig, en het bestuur is bedacht op middelen tot derzelver krachtdadige aanmoediging.

Belangrijke fabrijken en lands-werken bieden het schouwspel aan eener khmmende werkzaamheid, en zoo de nijverheid en de handel in het algemeen nog lijden aan de gevolgen van eene vroegere overspanning en den geweldigen loop der wereldgebeurtenissen, is er echter, voor den genen, die Onzen toestand, met dien van andere volken, vergelijkt, geene reden, om dezen te benijden of Ons zelven te beklagen. In de kolonien ontwikkelt zich, langzaam, maar met het gewenscht gevolg, de nieuwe administratie. Vaart en handel derwaarts nemen steeds toe in levendigheid. Ik ben te sterk overtuigd van den invloed, welke de bloei van alle takken van nijverheid op den voorspoed van een volk heeft, om, tot vermeerdering daarvan, nict alle mogelijke bescherming te verleenen. De roem, die de nederlandsche trouw nog in alle werelddeelen heeft behouden, laat mij het aangenaam vooruitzigt, dat het niet aan gelegenheden ontbreken zal, om vele, door de omstandigheden, afgeleide bronnen van volksvlijt, allengskens te herwinnen.

Diep doordrongen van het gevoel mijner verpligtingen, om, in alle de handelingen van mijn bestuur, de belangen der Nederlanders in het algemeen voor oogen te houden, en nimmer die van een gedeelte voor te trekken aan die van het geheel, zal ik, met kalmte en vastheid, het voetspoor blijven bewandelen, hetwelk ik mij, met dat inzigt, heb voorgesteld, overtuigd, dat hetzelve, tot het ware geluk van Ons dierbaar vaderland moet leiden, en, in de medewerking van U Ed.Mog., hoop ik steeds het bewijs te mogen blijven aantreffen, dat zij aan mijne gevoelens en bedoelingen regt doen wedervaren.

Troonrede van 19 oktober 1818

Edel Mogende Heeren!

In den loop van dit jaar heeft Mijn Huis een’ nieuwen Zegen ondervonden door de Geboorte van eene tweede telg van Mijn beminden oudsten Zoon den Prins van Oranje. De Nederlanders hebben toen wederom ondubbelzinnig getoond, dat zij die gebeurtenis als een nieuwen waarborg voor het geluk van hun volgend geslacht beschouwden. Zij mogen er op staat maken, dat lk en Mijne kinderen het als Onzen dierbaarsten pligt zullen aanmerken, Onze liefde voor hen, en Onze bezorgdheid voor hunne belangen, ook aan Onze nakomelingen in te boezemen.

lk heb verder het genoegen, bij den aanvang uwer werkzaamheden, aan U Ed.Mog. te kunnen mededeelen, dat de vrede door de algoede Voorzienigheid in Europa is bewaard gebleven. indien, na deszelfs gelukkige herstelling, het verblijf van een bezettingsleger in Frankrijk aanvankelijk gestrekt heeft tot bevestiging van de herboren rust, levert thans de genomene beslissing omtrent den aftogt van dat leger, een aangenaam bewijs op, van de bereiking van dat oogmerk, en, in het eenparig vertrouwen der Souvereinen, de beste waarborg voor eenen duurzamen vrede. De inwendige gesteldheid van dit Rijk levert ook stoffe tot erkentenis op.

De hooge scholen, athenaea en kollegien zijn in geregelde werking, en men is bestendig op alle middelen bedacht, welke die instellingen in luister zoo wel als in nuttigheid kunnen doen toenemen.

Groote toejuiching verdient de wijze, op welke de Landsregering zich door particulieren, zoo wel als door gewestelijke en plaatselijke besturen, ziet bijgestaan in zijne pogingen, om een doelmatig lager onderwijs, hier, voor te bereiden en te vestigen, ginds, uit te breiden en te volmaken.

Het laatste jaar heeft menig heugelijk voorteeken opgeleverd van de herleving der nederlandsche kunst.

Vele takken van volksvlijt ondervinden nog steeds den invloed der gebeurtenissen, die zoo gewigtige veranderingen in uitzigten, vertier en allerlei belangen hebben te weeg gebragt. De landbouw daarentegen is in een gunstigen staat, en deszelfs rijke vruchten dragen niet minder, dan de steeds toenemende vaart op de beide Indiën, bij, om aan den handel die levendigheid en werkzaamheid te geven, waarvan de zigtbaar klimmende welvaart in de voornaamste steden en in andere belangrijke oorden des Rijks het gevolg en het bewijs is.

De staat der armen is verbeterd. De aangeborene rnildadigheld der natie is met loffelijken ijver tot het ware doel geleid. De nuttige instellingen der beleen- en spaarbanken breiden zich meer en meer uit.

De bedelaars werkhuizen zijn in getal vermeerderd. In het ontwerp der algemeene begrooting voor het volgend jaar zullen U Ed.Mog. de voorziening vinden, die voor het onderhoud der vondelingen noodig is; en daar het gemis van eenvormige voorschriften nadeelige twijfelingen had doen ontstaan omtrent de plaats, in welke aan behoeftigen de aanspraak moet worden toegekend, niet om aldaar ondersteund te worden, maar om in de aldaar bestaande en tot ondersteuning bestemde middelen te deelen, zal aan U Ed.Mog. een ontwerp van wet worden voorgesteld, om zulks op eene duidelijke en tevens billijke wijze te bepalen.

Eenige grensscheidingen zijn met onderling genoegen der Provinciale Staten beraamd. Dezelve zullen aan U Ed.Mog. worden voorgedragen. De verevening der plaatselijke schulden zal spoedig zijn afgeloopen en de algemeene regeling der stedelijke rniddelen wacht slechts naar eene wet, welke U Ed.Mog. zal worden aangeboden, nopens de penaliteiten op overtredingen, en de wijze van vervolging.

De uitvoering der wet wegens de nationale militie levert thans, bijzonderlijk door de bereidwilligheid der lotelingen om den van hen gevorderden dienst te doen, weinige of geene zwarigheden op; het getal der genen, welke tot het vervangen van ontbrekenden moeten worden opgeroepen, wordt van jaar tot jaar geringer; echter zullen, met het oogmerk om de middelen van ’s lands verdediging met de belangen der schatkist meer en meer in verband te brengen, aan U Ed.Mog. eenige wijzigingen der bestaande wet worden voorgesteld.

Het vertrouwen, waarmede Uwe Vergadering de jongste financiële wetten heeft bekrachtigd, is met algemeen welgevallen vernomen.

De opening eener aanzienlijke geldleening is beantwoord geworden met het aanbod, binnen korte dagen, van meer dan het dubbelde der verlangde som. Gevoelig aan dit bewijs van kracht en bereidwilligheid, steunende op ’s lands volkomen hersteld crediet, gerust omtrent den toestand van ’s Rijks schatkist, zeker, dat alle verbindtenissen heilig konden worden nagekomen, heb ik mij bemoedigd gevonden, de dadelijk mogelijke bezuinigingen te doen daarstellen, en die, welke in het vervolg eerst zullen kunnen werken, te doen voorbereiden.

Uit de begrooting der staatsbehoeften voor het volgend jaar zullen U Ed. Mog. kunnen beoordeelen, in hoe verre de gedane pogingen reeds door de uitkomst zijn bekroond. De aangekondigde proeve der splitsing tusschen gewone en buitengewone uitgaven wordt bij die begrooting bewerkstelligd, en, niettegenstaande daarop nieuwe sommen hebben moeten worden gebragt, ten gevolge der laatstelijk gemaakte financiële bepalingen, blijft echter het geheel beloop der raming beneden die van het tegenwoordig jaar.

Het strekt mij tot genoegen daar bij te kunnen voegen, dat het overschot, hetwelk de op Mijnen last vervaardigde, en aan U Ed.Mog. mede te deelen rekening der begrootingen van vroegere diensten, ten behoeve der schatkist oplevert, genoegzaam is, om, bij eene gelijke raming der opbrengst van ’s lands middelen, als over het loopend jaar, tegen de waarschijnelijke uitgaven van het volgend jaar, eene gelijkstaande berekening van inkomsten over te stellen.

Tot bereiking van dit geruststellend einde, zullen aan uwe vergadering eenige wettelijke bepalingen worden voorgelegd, op welker aanneming ik mij te eerder mag verlaten, vermits dezelve een ieder, welke belang heeft bij den toestand van ’s Rijks geldmiddelen, zullen overtuigen, dat de daaromtrent genomen en nog te nemen maatregelen mogen geteld worden onder de eerste voorwerpen van Onze gemeenschappelijke zorg voor het algemeen welzijn.

Die wetten zullen tevens Mijne vooruitzigten helpen verwezenlijken, omtrent datgene, wat nog geschieden kan, ten einde reeds in een volgend jaar, den evenaar tusschen de inkomsten en uitgaven in gewone tijden daar te stellen. Bij eenen geregelden staat van zaken, waarin verre de meeste behoeften onvermijdelijk zijn, heb ik de noodzakelijkheid erkend, om daartoe alles tot in de bijzonderheden te doen nagaan. Dit onderzoek vordert nogtans veel tijd, en, zal hetzelve in zijnen geheelen omvang met zorg en aandacht geschieden, moet alle overhaasting vermijd worden. Intusschen wordt daaraan ijverig gearbeid; en met de noodige volharding, vertrouw ik, dat hetzelve tot rijpheid zal komen en aan Mijne ernstige begeerte zal kunnenvoldaan worden. Meer andere onderwerpen van aangelegenheid zullen, in den loop dezer gewone vergadering, uwe overweging vorderen. In de volgende hoop ik het ontwerp van de nederlandsche wetboeken aan U Ed.Mog. aan te bieden.

En hiermede, Ed.Mog. Heeren! opene ik deze uwe vergadering, onder den vurigen wensch en vol van vertrouwen, dat dezelve meer en meer het kenmerk zal dragen van die eenstemmigheid van bedoelingen tusschen den Koning en de Staten-Generaal, waardoor de welvaart van het Rijk en het geluk van deszelfs ingezetenen allermeest kunnen worden bevorderd.

Troonrede van 20 oktober 1817

Edel Mogende Heeren!

Niet lang na den afloop uwer vorige zitting, is mijn Huis verblijd geworden door eene gebeurtenis, in welke al de ingezetenen des Rijks getoond hebben een zeer levendig deel te nemen. De geboorte van een’ erfgenaam heeft de vurigste wenschen van mijn’ beminden Zoon, den Prins van Oranje, vervuld en de banden naauwer toegehaald, welke zijne voortreffelijke Gemalin aan haar tweede vaderland verbinden. De opvoeding van dat dierbaar kind zal het voorwerp zijn der teederste en aanhoudendste zorgen, opdat hij, van jongs op, doordrongen van het gevoel zijner verpligtingen en van de zuiverste zucht voor de vrijheid en de welvaart zijner landgenooten, op de voor hem ontslotene loopbaan steeds verzeld zij van hun vertrouwen, achting en liefde.

De algemeene vrede is ongestoord gebleven, en elke dag bevestigt de overtuiging, dat de regeringen zoo wel als de volken, eenstemmig zijn in de begeerte, om dien te handhaven. Ik heb van mijne zijde niets verzuimd, van hetgeen strekken kan, om aan dit Rijk, en aan deszelfs inwoners, de welwillendheid der vreemde Mogendheden te verzekeren. in de omstandigheden, welke het gevolg geweest zijn van een zeer ongunstig jaargetij, en van welken de algoede Voorzienigheid, door een’ gezegenden oogst, nu het einde voorbereid heeft, is het lot der behoeftigen een bijzonder gewigtig voorwerp geworden van de aandacht des bestuurs.

Hun is, op vele plaatsen, van lands wege, arbeid verschaft, en, waar de nood het nijpendste was, onderstand: de meeste stedelijke regeringen hebben, met verstandigen ijver, tot leniging van dezen nood bijgedragen, en de mededeelzaamheld, die vereerende trek in het nationaal karakter, heeft schier alom gelijken tred gehouden met de klimmende behoefte.

Desniettegenstaande is, bij deze gelegenheid, meer dan ooit, het noodzakelijke gevoeld van algemeen werkende bepalingen omtrent het armenwezen, en het zal mij aangenaam zijn nog in deze zitting de grondslagen gelegd te zien, op welke dit gedeelte der administratie behoort te rusten.

Aan U Ed.Mog. zullen nog andere maatregelen worden voorgesteld, die insgelijks, volgens de bepalingen der Grondwet, moeten worden in werking gebragt, of die de ondervinding als heilzaam voor de industrie heeft doen kennen. Geene omstandigheid heeft deze meer benadeeld dan de duurte der levensmiddelen, welke het vertier der fabriekwaren, bij de talrijkste klassen der ingezetenen heeft doen stilstaan. Voornamelijk echter hebben de financien van het Rijk den ongunstigen invloed van dezen staat van zaken ondervonden. Aan de eene zijde hebben alle uitgaven, die met den prijs der levensmiddelen in verband staan, eene onvoorziene hoogte bereikt, en, aan de andere, is er eene groote vermindering geweest in hetgene voor de opbrengst der belastingen op het vertier geraamd was. Ook is, door het niet heffen eener belasting op het regt van Successie, een belangrijk te kort in de inkomsten ontstaan, welks aanvulling men niet uit het oog behoort te verliezen, ook dan zelfs wanneer ten deze door de nadere wet, die u zal worden voorgedragen, voor het vervolg zal zijn voorzien.

De grondwet heeft wijsselijk eene splitsing der Staatsuitgaven voorgeschreven.

Zoodra, dien ten gevolge, de noodige uitgaven naauwkeurig bekend en de middelen, tot dekking derzelve, zorgvuldig uitgekozen en bepaald zullen zijn, zal men zich gewaarborgd bevinden tegen de onevenredigheid tusschen behoeften en inkomsten. Het aanstaande jaar laat hieromtrent nog veel te wenschen over. Wij hebben te voorzien in de belangen van velen onzer landgenooten, die oude doch regtmatige vorderingen, ten laste van den Staat, kunnen doen gelden. Niet min aanzienlijke kosten vordert de bevestiging van het Zuidelijk frontier, en de noodzakelijkheid, om, ten deze, bepalingen te maken, welke den afioop van dat gewigtig werk in het daarvoor bepaalde aantaljaren verzekeren, kan des te minder worden betwist, daar de onderstand, op welken wij van buiten’s lands mogen rekenen, volgens de gemaakte verdragen, in verband en in evenredigheid staan zal met den omvang onzer eigene pogingen.

Bij de opgave, die U, niijnentwege, van deze verschillende behoeften en van de financiele maatregelen, die derzelver bestrijding vereischt, moet worden gedaan, zullen U Ed.Mog., hoop ik, bevinden, dat het bezwaar, welk daaruit voor ’s lands ingezetenen voortvloeijen zal, niet aanmerkelijk is in vergelijking met het nut, datwij te stichten, en met de grootheid der doeleinden, die Wij te bereiken hebben. Het ware overtollig voor een zoo belangrijk onderwerp de bijzondere aandacht in te roepen van eene vergadering, die reeds herhaaldelijk betoond heeft, niet minder angstvallig te zijn, dan ik zelf, waar het er op aan komt om de regten en belangen mijner waarde onderdanen met de behoeften van het algemeen bestuur te vereenigen.

De wet op de nationale militie is onlangs, voor de eerste reize, ten uitvoer gelegd, en U Ed.Mog. zuflen, zonder twijfel, met genoegen bespeurd hebben, hoe, bij deze ligting, orde en voortvarendheid zijn gepaard gegaan, en met welken ijver, in alle provincien, aan den eersten onzer pligten jegens het Vaderland, is voldaan.

De landbouw is in een’ bloeijenden toestand. De visscherijen, de koloniale vaart, de reederijen en alle daarmede in verband staande neringen, hebben in werkzaamheid toegenomen, en de vrijheid van den graanhandel ter zee, terwijl zij ten waarborg strekte tegen een mogelijk gebrek in onzen eigen boezem, en de broodprijzen hier te lande lager hield, dan bij onze naburen, heeft de nederlandsche havens bevestigd in het voorregt van te zijn de korenkamers van geheel Europa.

Middelerwijl zijn vesting- en haven-werken van het hoogste aanbelang, of met kracht begonnen en voortgezet, of zelfs voltooid; en meer dan ééne provincie heeft groote wegen zien aanleggen, naar welke hare ijverigste en verlichtste inwoners jaren lang te vergeefs hadden gewenscht.

Eene edele geestdrift, die ik het niij ten pligt make te onderhouden en aan te kweeken, is allerwege de ontluiking der schoone kunsten te gemoet gekomen. De uitbreiding van het lager onderwijs is, zoo veel het de middelen en omstandigheden veroorloofden, bevorderd of voorbereid, en de vreugdebetuigingen, onder welke de oprigting van drie hooge scholen, in het gedeelte des rijks, waar dezelve tot dusverre ontbraken, tot stand gebragt is, leveren een gunstig voorteeken van het heil, dat het opkomend geslacht en geheel Nederland van dezelve te verwachten hebben.

Nict gering dus is het getal der voorwerpen, op welke Wij met voldoening de oogen kunnen slaan, en des te geruster mogen Wij ons bezig houden met de overweging der middelen, die ons tijdelijke, en van ’s menschen wil en magt onafhankelijke bezwaren, moeten doen te boven komen. Maar hares besten waarborg ten dezen zoekt de natie in de eendragtige zamenwerking van den Koning en van de Staten Generaal.

Noch ik, noch gij, Ed.Mog. Heeren, wier gevoelens en voorbeeld een’ zoo krachtigen invloed hebben, zullen haar vertrouwen te leur stellen, en de verdere bevestiging van een maatschappelijk bestaan, op beginselen van vrijheid en orde gegrond, zal, onder den Goddelijken zegen, het loon zoo wel als de vrucht zijn van Onze onvermoeide pogingen.

Troonrede van 21 oktober 1816

Edel Mogende Heeren!

Het strekt mij tot een levendig genoegen u, bij dezen plegtigen aanvang uwer werkzaamheden, te kunnen aankondigen, dat het Rijk met de buitenlandsche Mogendheden in de beste verstandhouding is, en dat alles ons op de voortduring dezer vriendschappelijke betrekkingen mag doen rekenen.

Wij hebben ons daarentegen te bedroeven over de buitengewone rijzing, die de prijs der levensmiddelen hier te lande zoo wel als in het grootste gedeelte van Europa ondergaan heeft.

lk zal met de uiterste oplettendheid de hulpmiddelen overwegen, die de regering, tegen dit kwaad aanwenden kan; maar het is vooral eene stoffe, die, zoo als deze, voor overdrijvingen vatbaar en door hartstogten en vooroordeelen zoo dikwijls verduisterd is, dat de naauwkeurige kennis van alle bijzonderheden, een onmisbaar vereischte is. Ik heb bereids derzelver zorgvuldige bijeenzameling bevolen, en zal handelen naar gelang der overtuiging, welke zij te weeg zullen brengen.

Aan U Ed.Mog. zullen, in den loop dezer zitting, verschillende maatregelen worden voorgesteld, die, hetzij tot begunstiging van industrie en akkerbouw, hetzij tot bevordering der instellingen en werken van algemeene nuttigheid, vereischt worden. Het onderzoek daarvan zal U Ed.Mog. de gelegenheid verschaffen van op nieuw dien onvermoeiden ijver aan den dag te leggen, en dat doorzigt omtrent alles, wat de bronnen der algemeene welvaart betreft, van welke uwe vorige bijeenkomst zoo treffende blijken opgeleverd heeft.

Onder de gewigtige instellingen, die de Grondwet zelve voorschrijft, doch voor welke het nog aan algemeen werkende organieke regelen ontbreekt, bekleedt de nationale militie de eerste plaats. Het ontwerp van wet, dat ik gehoopt had u reeds vroeger te doen toekomen, is thans voor uwe overweging gereed, en ik beveel het voorloopig aan in uwe ernstige aandacht. Redenen van algemeen belang hebben aanleiding gegeven tot het ontwerp, om eenige kleine strooken lands, tegen gedeelten van het pruissisch grondgebied, te ruilen, en hier bestaat dus een dier gevallen, in welke, volgens art. 58 der Grondwet, het te maken verdrag bij de Staten-Generaal moet worden onderzocht. Ik zal de ter dier zake tot stand gebragte overeenkomst U Ed.Mog. eerlang aan doen bieden, en, zoo uwe goedkeuring mij tot het bekrachtigen derzelve in staat stelt, zal de strekking der oostelijke grenzen van het Rijk op eene volledige wijze geregeld zijn.

Wanneer de begrooting van de publieke inkomsten en uitgaven voor het aanstaande jaar ter tafel van de Staten-Generaal zal zijn overgebragt, zullen U Ed.Mog., zoo ik vertrouwe, met genoegen de aanzienelijke vermindering ontwaren, die, overeenkomstig uwen en mijnen wensch, in de kosten van het algemeen bestuur te weeg is gebragt. Ook vordert derzelver bestrijdlng noch verhooging der gewone middelen, noch invoering van buitengewone. De regelmatigheid en het gemak, met welke, in schier al de provincien, de invordering der belastingen plaats vindt, bewijzen overigens den gunstigen invloed, dien de vrijheid van verkeer en industrie bereids op den toestand der ingezetenen gehad heeft; maar noch deze, noch eenige andere daadzaak, uit welke de toenemende vastheid van het openbaar crediet kan worden afgeleid, zal mij immer de noodzakelijkheid van verdere bezuiniging uit het oog doen verhezen, of ongedachtig maken aan den pligt, die op mij rust, om, tot handhaving der eer en veiligheid van den Staat, geene andere dan onvermijdelijke opofferingen van mijne onderdanen te vorderen.

Zien wij terug, Ed.Mog. Heeren, op hetgeen bereids, in de moeijelijkste oogenblikken, tot vestiging van de onafhankelijkheid des vaderlands en van een gelijkmatig bestuur in hetzelve, gedaan is, dan mogen wij de hoop voeden, dat onze volgende pogingen eene even gunstige uitkomst zullen hebben.

Volharding in heilzame bedoelingen, vrijmoedigheid in het beramen der middelen, onophoudelijke aankweeking van eensgezindheid, vertrouwen en welwillendheid, ziedaar wat de nederlandsche natie van ons verwacht, en noch door haren Koning, noch door hare vertegenwoordigers zal deze billijke verwachting worden te leur gesteld.

Troonrede van 16 oktober 1815

Edel Mogende Heeren!

In de vergadering, welke ik, heden, uit krachte der Grondwet, open, zullen gewigtige belangen aan uwe overweging worden voorgesteld.

Sedert het voorjaar, hebben onvoorzienbare gebeurtenissen buitengewone pogingen noodzakelijk gemaakt. Geen Nederlander of hij ziet met welgevallen op dat tijdperk terug; want in hetzelve werd de onafhankelijkheid des Vaderlands gevestigd. Dit algemeen gevoelen zal de opofferingen verzachten, welke het onvermijdelijk is te vorderen. Om, in een zoo klein tijdsbestek, geheele rijen vestingen in staat te stellen, het nationale leger te verdubbelen, en aan de nog talrijker legers der Bondgenooten het noodige te verschaffen, hebben schatten besteed moeten worden. U Edel Mogende zullen kennis nemen van hetgene in alle die opzigten gedaan en van het aanmerkelijk bezwaar, dat daaruit voor de Financien gesproten is.

De regtvaardigheid pleit hier met dubbele kracht voor de voldoening der schuldeischers, want een groot gedeelte derzelve behoort tot die streken des Rijks, welke onmiddelijk de rampen gevoeld hebben, van krijgsbewegingen onafscheidbaar. In de beraming echter der alzoo noodzakelijk gewordene maatregelen ben ik zorgvuldig te rade gegaan met het vermogen mijner goede onderdanen, en heb getracht den last, door verdeeling over een aantal jaren en onder alle standen, even ligt als gelijk, en die maatregelen dus de onbeschroomde goedkeuring der Staten-Generaal waardig te maken.

De berekening der staatsuitgaven voor het toekomstige jaar en de middelen tot derzelver bestrijding zullen vervolgens een even ernstig onderwerp van uwe raadplegingen opleveren; maar ik ben verre van te twijfelen of ook deze raadplegingen zullen eenen heilzamen uitslag hebben, en de voorzigtige vaststelling van gelijksoortige belastingen in alle deelen van het Rijk zal de belemmering doen ophouden, die derzelver onderling verkeer thans nog moet ondervinden.

Onder de wetten, die, bereids in kracht voor eenige onzer provincien, met behoorlijke wijzigingen, voor allen toepasselijk te maken zijn, bekleedt die op de nationale militie eene aanzienlijke plaats. Ook ten dezen zij de gelijkmatige behandeling van alle Nederlanders, en de getrouwe betrachting van het beginsel hunner vereeniging ons aller doelwit: en al bleek die instelling nog jaren lang voor volmaking vatbaar te zijn, geene poging kan Ons te moeijelijk, geene inspanning te groot schijnen, waar het er op aankomt, om in haar het stevigste bolwerk der veiligheid van den Staat te gronden.

Overigens mogen Uw Edel Mogende de billijke hoop koesteren, dat het volgend jaar, vreedzamer dan het tegenwoordige, geene onverhoedsche of bovenmatige opofferingen tot behoud dier veiligheid zal vereischen. Waarschijnlijk zal ik, binnen weinige dagen, u een algemeen traktaat der thans nog gewapende Mogendheden kunnen mededeelen, hetwelk nieuwe waarborgen zal aanbieden voor de rust van Europa. Zoo zal eindelijk de tijd genaderd zijn, dat de wetgever, niet meer van zijne eigenlijke bestemming afgetrokken, zijne geheele aandacht aan de verbetering van tucht en zeden, aan de uitbreiding van het openbaar onderwijs, aan de doelmatige hervorming van het armbestuur kan wijden. Reeds heeft het vertrouwen, dat de vrede inboezemt, vele takken der oude volksvlijt doen herleven. De koophandel zal een nieuw voedsel ontleenen, niet alleen uit die kolonien, welke aan Nederland terug gegeven en tot welker bezetting de kostbare toebereidselen thans voltooid zijn, maar ook uit die, in walker afstand ik verleden jaar heb moeten bewilligen. De nadere overeenkomst, deswege met de Kroon van Groot-Brittannie gesloten, zal U Edel Mogenden worden medegedeeld en, Zoo ik vertrouwe, in een dubbeld opzigt welgevallig zijn, daar zij ten bewijze strekt, zoo wel van de billijke en welmeenende gezindheid van dien magtigen Bondgenoot, als van de zorg, met welke, van mijne zijde, voor ’s Lands commerciele belangen gewaakt wordt.

Onder den bijstand der Goddelijke Voorzienigheid, zal ik, met onafgebroken ijver en regtvaardig jegens aflen, in de mij opgelegde pligten volharden. Uwe medewerking, in het daarstellen der algemeene bepalingen, maakt u tot getuigen en tot borgen tevens van de zuiverheid der bedoelingen van ’s Lands regering. Bezigt den invloed, dien deugden en kundigheden u verzekeren, en dien uwe vrijmoedige en eendragtige behartiging van het volksbelang nog gaat versterken, om allerwege de kalmte in de gemoederen te onderhouden. En dat er weldra niemand Onzer landgenooten zij, die niet, in een vol vertrouwen op zijne vertegenwoordigers en op zijnen Koning, zich aan het genot der voordeelen overgeve, die de Staatswet duidelijk en onherroepelijk aan alle burgers verzekert.

Troonrede van 21 september 1815

Edel Mogende Heeren!

De dag, op welken ik dozen troon mag omringd zien van Staten Generaal, gekozen uit al de Nederlandsche provincien, vervult een’ der vurigste wenschen van mijn hart.

De naauwe en duurzame vereeniging dier provincien was, reeds vóór drie eeuwen, het doel van een’ Vorst, die, boven velen zijner voorzaten en opvolgers, het voorregt had van hier te lande geboren te zijn en opgevoed, wien niemand ooit eene diepe kennis van deszelfs behoeften of eene opregt verkleefdheid aan deszelfs belangen heeft kunnen betwisten.

Karel de V was overtuigd dat de Nederlanden, om gelukkig en onahankelijk te zijn, niet alleen aan denzelfden Souverein moesten gehoorzamen, maar ook naar dezelfde algemeene wetten bestuurd worden. Hem echter werd het niet gegund zijn roemrijk leven aan een zoo heilzaam werk toe te wijden, in plaats van de naauwere verbindtenis, welke hij, zoo wel als zijn kweekeling vader Willem, wenschte, volgde weldra eene droevige scheuring.

Wanneer wares de uitwerkselen dezer scheuring treffender en noodlottiger, dan in de laatste jaren? Welk geslacht is, meer dan het tegenwoordige, getuige en tevens slagtoffer geweest van hare rampen?

Het bestuur van het land was in de hand des vreemdelings overgegaan, de schaduw zelfs der staatkundige zelfstandigheid verdwenen en, met de magt, ook de naam des Nederlandschen volks vernietigd.

Maar de eigenaardige zeden, de goede trouw, de eerbied voor godsdienstige begrippen, de gehechtheid aan voorvaderlijke instellingen en gewoonten bleven in al deze provinciën aanwezig en maakten er een’ naauwlijks zigtbaren, doch sterken band. En zoo is het gckomen dat, zoodra de onvergetelijke gebeurtenissen der twee vorige jaren de stichting der Nederlandsche Monarchie mogelijk hadden gemaakt, de bouwstoffen zich als van zelven schenen aan te bieden, en in schier alle deelen, als het ware, eene strekking bespeurd werd om zich zamen te voegen tot hetzelfde geheel.

Dit geheel, Edel Mogende Heeren! is thans tot stand gebragt, en voor zijne bewaring en bevestiging zijn Wij aan tijdgenooten en nakomelingen verantwoordelijk.

In den gewigtigen pligt, die mij te beurt valt, reken ik op uwe medewerking en vaderlandschen ijver.

Zwarigheden kunnen zich vertoonen; van welke groote taak zijn zij afscheidelijk? Maar zij zullen geene Nederlanders afschrikken, aan wie de goede Voorzienigheid reeds zoo vele teekenen heeft verleend van hare gunst. Vrij van inwendige tweespalt en beroerten, hebben zijne onderdanen rustig de aloude vlijt kunnen ontwikkelen: de koophandel bloeit; de velden en woningen zijn veilig, de kerken en de kerkendienst in eere. Van de welvaart, in de meeste streken des Rijks verspreid, hebben zij, die door den oorlog geleden hadden, troost en bijstand ondeend, en die oorlog zelve schijnt slechts herwaarts te hebben moeten losbreken, om Brussels muren getuigen te doen zijn van den moed onzer verdedigers en hunner heldhaftige Bondgenooten; om, binnen die muren, de deugden der weldadigheld en der menschenliefde, in eene tot dus verre onbekende mate, te doen schitteren, en, in één woord, om allerwege wederkeerige gevoelens van welwillendheid, achting en vertrouwen in te boezemen of aan te kweeken.

Edel Mogende Heeren! aan u is het, dat de ontwikkeling dezer heilrijke zaden toekomt. De natie, voor het eerst in haar geheel vertegenwoordigd, heeft het oog op uwe handelingen. Vergeten wij nimmer, dat de eensgezindheid de beste waarborg is van ons aller veiligheid. Toont, in alle gelegenheden, die zucht voor het goede, die verkleefdheid aan de algemeene belangen van den Staat, die den verlichten Vaderlander behooren te kenmerken; en dat uw voorbeeld eerlang in aller harten de liefde voor de vrijheid en voor de instellingen, welke haar verzekeren, op onwrikbare grondslagen vestigen!

Gelukkig dan de Monarchie der Nederlanden, en gelukkig de Souverein, die hen, gesterkt door bun vertrouwen en genegenheid, op de baan des voorspoeds en der glorie zal geleiden!