Troonrede van 21 september 1815

Edel Mogende Heeren!

De dag, op welken ik dozen troon mag omringd zien van Staten Generaal, gekozen uit al de Nederlandsche provincien, vervult een’ der vurigste wenschen van mijn hart.

De naauwe en duurzame vereeniging dier provincien was, reeds vóór drie eeuwen, het doel van een’ Vorst, die, boven velen zijner voorzaten en opvolgers, het voorregt had van hier te lande geboren te zijn en opgevoed, wien niemand ooit eene diepe kennis van deszelfs behoeften of eene opregt verkleefdheid aan deszelfs belangen heeft kunnen betwisten.

Karel de V was overtuigd dat de Nederlanden, om gelukkig en onahankelijk te zijn, niet alleen aan denzelfden Souverein moesten gehoorzamen, maar ook naar dezelfde algemeene wetten bestuurd worden. Hem echter werd het niet gegund zijn roemrijk leven aan een zoo heilzaam werk toe te wijden, in plaats van de naauwere verbindtenis, welke hij, zoo wel als zijn kweekeling vader Willem, wenschte, volgde weldra eene droevige scheuring.

Wanneer wares de uitwerkselen dezer scheuring treffender en noodlottiger, dan in de laatste jaren? Welk geslacht is, meer dan het tegenwoordige, getuige en tevens slagtoffer geweest van hare rampen?

Het bestuur van het land was in de hand des vreemdelings overgegaan, de schaduw zelfs der staatkundige zelfstandigheid verdwenen en, met de magt, ook de naam des Nederlandschen volks vernietigd.

Maar de eigenaardige zeden, de goede trouw, de eerbied voor godsdienstige begrippen, de gehechtheid aan voorvaderlijke instellingen en gewoonten bleven in al deze provinciën aanwezig en maakten er een’ naauwlijks zigtbaren, doch sterken band. En zoo is het gckomen dat, zoodra de onvergetelijke gebeurtenissen der twee vorige jaren de stichting der Nederlandsche Monarchie mogelijk hadden gemaakt, de bouwstoffen zich als van zelven schenen aan te bieden, en in schier alle deelen, als het ware, eene strekking bespeurd werd om zich zamen te voegen tot hetzelfde geheel.

Dit geheel, Edel Mogende Heeren! is thans tot stand gebragt, en voor zijne bewaring en bevestiging zijn Wij aan tijdgenooten en nakomelingen verantwoordelijk.

In den gewigtigen pligt, die mij te beurt valt, reken ik op uwe medewerking en vaderlandschen ijver.

Zwarigheden kunnen zich vertoonen; van welke groote taak zijn zij afscheidelijk? Maar zij zullen geene Nederlanders afschrikken, aan wie de goede Voorzienigheid reeds zoo vele teekenen heeft verleend van hare gunst. Vrij van inwendige tweespalt en beroerten, hebben zijne onderdanen rustig de aloude vlijt kunnen ontwikkelen: de koophandel bloeit; de velden en woningen zijn veilig, de kerken en de kerkendienst in eere. Van de welvaart, in de meeste streken des Rijks verspreid, hebben zij, die door den oorlog geleden hadden, troost en bijstand ondeend, en die oorlog zelve schijnt slechts herwaarts te hebben moeten losbreken, om Brussels muren getuigen te doen zijn van den moed onzer verdedigers en hunner heldhaftige Bondgenooten; om, binnen die muren, de deugden der weldadigheld en der menschenliefde, in eene tot dus verre onbekende mate, te doen schitteren, en, in één woord, om allerwege wederkeerige gevoelens van welwillendheid, achting en vertrouwen in te boezemen of aan te kweeken.

Edel Mogende Heeren! aan u is het, dat de ontwikkeling dezer heilrijke zaden toekomt. De natie, voor het eerst in haar geheel vertegenwoordigd, heeft het oog op uwe handelingen. Vergeten wij nimmer, dat de eensgezindheid de beste waarborg is van ons aller veiligheid. Toont, in alle gelegenheden, die zucht voor het goede, die verkleefdheid aan de algemeene belangen van den Staat, die den verlichten Vaderlander behooren te kenmerken; en dat uw voorbeeld eerlang in aller harten de liefde voor de vrijheid en voor de instellingen, welke haar verzekeren, op onwrikbare grondslagen vestigen!

Gelukkig dan de Monarchie der Nederlanden, en gelukkig de Souverein, die hen, gesterkt door bun vertrouwen en genegenheid, op de baan des voorspoeds en der glorie zal geleiden!

Troonrede van 8 augustus 1815

Edel Mogende Heeren!

Weinige maanden geleden, gaf ik aan de Staten-Generaal kennis van de vereeniging van alle de Nederlanden, onder het Koninklijk gezag.

Maar, om die vereeniging bestendig en heilzaam te doen zijn, is het niet genoeg, dat alle de ingezetenen aan denzelfden Souverein gehoorzamen. Zij moeten, daarenboven, door dezelfde wetten en instellingen ten naauwste aan elkanderen verbonden worden, en, bij het vervallen der scheidsmuren, in andere omstandigheden opgetrokken, zich onderling, als kinderen van één huisgezin, leeren herkennen.

U Ed.Mog. weten, dat zoodanig ook de uitzigten zijn, met welke de gezamenlijke Mogendheden van Europa de oprigting der nieuwe Monarchie hebben bevorderd.

Getrouw aan het beginsel om allerwege de reeds aanwezige betrekkingen te doen stand houden en te bewaren, hebben zij bijzonder verlangd, dat onze Grondwet gehandhaafd en slechts in diervoege gewijzigd zoude worden, als de veranderde omstandigheden, bij gemeenschappelijke overweging, blijken zouden te vereischen.

Miine eigene wenschen strookten met deze bepalingen. lk heb tot de herziening der Grondwet diergelijke middelen gekozen, als ik voor het ontwerpen derzelve meest doelmatig bevonden had. Mannen, uit alle Provinciën van het Rijk vergaderd, hebben, zonder eenige andere bedoeling, dan die van den voorspoed en roem hunner landgenooten, die gewigtige taak aanvaard, en met vreugde zag ik, in hunne kalme, eendragtige en vertrouwelijke beraadslagingen, een nieuw en heugelijk voorteeken der verbroedering van alle mijne onderdanen.

Deze beraadslagingen duurden nog, toen het geweld van den oorlog onverhoeds en met ongewone woede, doch Gode zij dank, slechts voor een’ korten tijd, op ons grondgebied overgebragt is. Het oogenblikkelijk gevaar was dringende, maar de moed onzer krijgslieden magtiger dan het gevaar. Geene bedenking, geene naburige voorbeelden hadden mij ooit kunnen doen twijfelen aan de trouw van beloften, door Nederlanders vrijwillig gedaan. En nu zij, in een hagchelijk tijdsgewricht, bij de banieren der onafhankelijkheid vereenigd, aan de zijde onzer edelmoedige Bondgenooten, die beloften door daden gestaafd hebben, deelen, hoop ik, en de natie en geheel Europa in mijne overtuiging en in mijne gerustheid. Eens zal de historie in de veldslagen van Quatre-Bras en Waterloo twee schitterende zuilen van den nieuwen Nederlandschen Staat aanwijzen, en gelukkig de vader, wiens zonen het te beurte viel, die zuilen met hunnen arm te helpen vesten en met hun bloed te besproeijen!

Het ontwerp, dat bij deze vergadering in overweging komen moet, zoude u door mij niet zijn aangeboden, indien ook, bij de herziening der Grondwet, slechts één der artikelen ter zijde gesteld ware, door welke de aan onze natie steeds dierbare regten worden verzekerd.

Maar alle zorg is integendeel aangewend om die regten zoo veel mogelijk duidelijker te omschrijven, en om in het nieuwe Staatsverbond den stempel eener verlichte eeuw en van het nationaal karakter zichtbaar te doen zijn.

De onschendbaarheid der regterlijke magt blijft onherroepelijk, de gewetensvrijheid in den volsten zin gewaarborgd. Geen eigendom kan verbeurd verklaard, geene meening of gedachte in haren loop gestremd worden. Den geringsten burger staat het vrij zijne stem te doen hooren tot bij den troon. Het volk behoudt zijne vertegenwoordigers; de adel eene billijke onderscheiding; de Provinciale Staten eene doelmatige ruimte van gezag. De lasten worden vrijelijk toegestemd en gelijkelijk gedragen. De inkomsten, naar vaste regelen te verantwoorden, kunnen, in de handen des Konings, tot geen ander einde strekken, dan tot de bekostiging van nuttige staatsdiensten; van het openbaar onderwijs; van ’s Lands verdediging; en in het algemeen is de koninklijke magt, groot genoeg om het maatschappelijk heil te verzekeren, ongenoegzaam voor de verdrukking of vernedering van een’ enkelen onderdaan!

Zijn deze beschouwingenjuist, zoo kan men, onder het gebied der nieuwe Grondwet, met vermeerderde krachten en een geruster uitzigt op de toekomst, voortzetten en voltooijen wat alrede, onder de blijkbare gunst des Allerhoogsten, voor de eer en welvaart der Nederlanden, is aangevangen, ontworpen of voorbereid. Aan U, Ed.Mog. Heeren, is de beslissing dier vrage toevertrouwd. Elk uwer kent het hooge belang zijner zending; en elk uwer streve dus om zich van dezelve te kwijten, met die kordaatheid en ijver, welke wij te allen tijde, maar vooral in deze gedenkwaardige omstandigheid, aan het lieve vaderland verschuldigd zijn!

Rede van 16 maart 1815 bij aanvaarding van de Koninklijke waardigheid

Edel Mogende Heeren,

Het vredes-traktaat, in den verleden zomer te Parijs gesloten, had aan dezen Staat onder Mijne Souvereiniteit eene vergrooting van grondgebied toegezegd. Maar de wijze, waarop die toezegging door opgevolgde overeenkomsten is verklaard en uitgebreid, zal, buiten twijfel, de verwachting van velen te boven zijn gegaan. Het is niet eene enkele strook lands; het zijn niet eenige weinige distrikten, die aan het vaderland worden toegevoegd. Een geheel volk, en een volk, reeds vooraf door zijne zeden, taal en nijverheid en door zijne herinneringen zelve met Ons verbroederd, komt Ons te gemoet, en betuigt zijn verlangen, om alle die betrekkingen door den band eener gemeenschappelijke regering te bevestigen.

De vereeniging en ineensmelting van al de Nederlandsche Gewesten tot denzelfden Staat is, in meer dan één tijdsgewricht, onder Karel den Vijfden, bij Vader Willem, later nog, het voorwerp der wenschen en pogingen van verlichte en vaderlandlievende mannen geweest. Eene ernstige beschouwing heeft ook mij overtuigd, dat, zonder zoodanige vereeniging, zonder wederkeerige trouw en onderstand, de onafhankelijkheid dier gewesten op te zwakke grondslagen rust, en het ééne gedeelte na het ander de speelbal worden moet van iederen naburigen Staat, die zijn regt naar zijne overmagt zoude willen afmeten.

In deze overtuiging deelen mijne Hooge Bondgenooten. Duitschland in het bijzonder ziet, zoo wel als Engeland, in het onafhankelijk bestaan der Nederlanden een voornaam rustpunt der algemeene veiligheld, en wanneer de tijd der mededeeling van de hiertoe betrekkelijke Staatsstukken zal gekomen zijn, zullen U Edel Mogende met genoegen de blijken ontwaren van het dadelijk en ongeveinsd belang, dat de magtigste Hoven in de vrijheid en welvaart der Nederlandsche natie stellen.

Bij de staatkunde der verbondene Mogendheden en bij de wenschelijkheid der bedoelde vereeniging in mijne eigene oogen voegt zich de niet twijfelachtige gezindheid der Belgische ingezetenen. Slechts voorloopig onder mijn bestuur geplaatst, zijn zij, door veelvuldige bewijzen van genegenheld en vertrouwen, het oogenblik te gemoet gegaan, waarop mijne Souvereiniteit werkelijk konde worden ingevoerd. in hunne woorden en handelingen straalde niet zelden een voorgevoel door van het duurzaam geluk, dat de vrucht eener naauwe verbintenis tusschen Holland en Belgie wezen moet.

Op zoodanige gronden besloten hebbende, het oppergezag over al de Nederlanden, en tevens de Koninklijke Waardigheid te aanvaarden, maak ik het tot mijne eerste zorg, die bepaling aan de trouwe Vertegenwoordigers mijner Landgenooten mede te deelen. Heeft uw doorzigt, Edel Mogende Heeren, en uw onbezweken ijver, mijne pogingen voor’s Lands welzijn tot dusverre krachtdadig ondersteund, niet minder verwacht ik van uwe medewerking in het regelen der nieuwe betrekkingen van den Staat. Geene der wijzigingen echter, die in de Grondwet vereischt worden, kan de heilzame beginselen betreffen, waarop zij is gebouwd, en op welke onze landaard te regt een’ zoo hoogen prijs stelt. Al wat thans geschiedt, al wat U mijnentwege zal voorgeslagen worden, moet integendeel strekken om het bezit dier reeds verkregene panden van vrijheid, eendragt en verdraagzaamheld te verzekeren en bestendig te maken. Mijn titel alleen verandert; mijn hart blijft zoo vurig en vaderlijk, als ooit, voor het heil mijner onderdanen kloppen, en alle deze gevoelens zullen zij wedervinden in de Proclamatie, bij welke ik hun, in dit merkwaardig tijdstip, hunne bestemming en mijne uitzigten voorgehouden heb.

Troonrede van 7 november 1814

Edel Mogende Heeren!

De eerste uwer gewone vergaderingen begint onder allezins gunstige voorteekenen.

In alle gedeelten van het pas herboren vaderland, heerscht eene volomene rust; de regeling van de voornaamste takken van het bestuur gaat, volgens de bepalingen der Grondwet, onbelemmerd en zelfs met de meeste gemakkelijkheid voort, en allerwege wordt dagelijks zigtbaarder de geest van industrie en handelzucht, welke het te vreezen was, dat zoo vele noodlottige jaren ten eenemale hadden uitgedoofd en vernietigd.

De overtuiging, die ik daarvan, bij het bezoeken der verschillende provinciën, persoonlijk heb bekomen, gevoegd bij de menigvuldige blijken van verknochtheid aan de tegenwoordige orde van zaken, welke ik op die reize bij de ingezetenen van alle standen heb aangetroffen, en gepaard met zoo vele bewijzen van liefde en vertrouwen, welke met het levendigste gevoel zijn ontvangen, moet ons bemoedigen, om met een’ vasten tred voort te gaan op het bereids ingeslagen pad. Het leidt naar het duurzaam geluk eener eendragtige natie.

Door den vrede van Parijs, in vriendschappelijke betrekkingen gebragt met alle de Mogendheden van Europa, zie ik met gerustheid te gemoet den uitslag der raadplegingen van het congres, over alle punten, waarbij de staat der Vereenigde Nederlanden een onmiddelijk belang heeft. Het zoude mij aangenaam geweest zijn, den omvang van deszelfs gebied en overzeesche bezittingen, reeds nu, met volkomen zekerheid, aan Uw Ed.Mog., te hebben kunnen mede deelen, maar er is tusschen deze staatkundige schikkingen een algemeen en noodzakelijk verband, krachtens hetwelk zij allen te gelijk tot rijpheid, en te gelijk in werking komen moeten.

Ik heb echter, ten gevolge van afzonderlijke schikkingen, met de kroon van Groot-Britannie getroffen, maatregelen kunnen vaststellen tot het weder bezetten van het aanzienelijkst gedeelte van Neerlands aloude bezittingen, en dit gewigtig onderwerp trekt thans bijzonder mijne aandacht. Weldra zal de vlag wederom ontrold zijn in die gewesten, waar de ondernemingszucht en noeste vlijt onzer Vaderen bijkans even groote wonderen gesticht hebben, als op hunnen geboortegrond zelven.

Het onschatbare Java vooral, met een verlicht bestuur en de vrije vaart begiftigd, zal eerlang nieuwe wegen voor het handelsvermogen openen en voordeelen aanbrengen, meer dan genoegzaam, om te vergoeden, wat het verloop der tijden ons elders heeft doen verliezen.

Met geen minder genoegen zullen U Edel Mog. vernemen, dat ik omtrent s Lands financiën niets dan goeds te zeggen heb, dank zij het volkomen effect sorteren der maatregelen, bij de wet tot herstel der Nationale schuld voorgeschreven.

Bij het einde van 1814, zullen bijna anderhalf jaar renten dier schuld en de onmetelijke uitgaven, die het opnieuw vestigen van zoo vele takken van administratie, de oprigting van het leger en de uitrusting der eskaders vereischt hebben, ten volle afbetaald kunnen zijn; geen gedeelte van den dienst, sedert mijne komst tot de regering verrigt, zal ongekweten blijven, en de schatkist, dien onverminderd, in het bezit worden gelaten van een aanzienlijk bedrag, waarover, ter bestrijding van de behoeften voor het volgende jaar, zal kunnen worden beschikt.

De begrooting dier behoeften zal, eerstdaags, in gereedheid zijn, om aan uwe overweging te worden voorgesteld, en, ofschoon, uit hoofde der voortduring van vele omstandigheden van het tegenwoordig jaar, dezelve nog vele buitengewone kosten begrijpen zal, welke ik, onder Gods zegen, hope, dat, in volgende jaren, nimmer zullen terug komen, zal hieruit, zelfs niet gedurende 1815, of eenige verhooging van belasdngen, of eenige buitengewone financiële operatie voortspruiten; integendeel, zullen de konvooiregten, indien U Ed.Mog. zulks geraden oordeelen, eene zeer aanzienelijke vermindering kunnen ondergaan, en daardoor aan den zich met zoo veel kracht uitzettenden koophandel eene aanmoediging worden gegeven, die ik, sedert lang, hartelijk wensche aan denzelven te kunnen verleenen; ook deswege zal, eerlang, aan Uw Ed.Mog. een voorstel ter bekrachtiging worden ingezonden; terwijl, voor het overige, alle andere bronnen van algemeene welvaart door mij steeds zullen worden in het oog gehouden, en het mij een streelend genoegen zal opleveren, ter zijner tijd, de noodige hulpmiddelen en verzachtingen, tot bevordering van derzelver bloei, aan U Ed. Mog. te kunnen voordragen.

Ook de rentheffers van den Staat zullen een bewijs van het voortdurend belang, dat hun lot mij inboezemt, ontwaren in de schikkingen, die beraamd worden, om aan de verbindtenissen, bij de wet tot herstel der nationale schuld ten hunnen behoeve aangegaan, in eene veel ruimere mate, te voldoen, dan de letter dier wet medebrengt.

Moge zich dus al dieper en dieper vestigen en eindelijk onwrikbaar worden het vertrouwen van alle onze landgenooten op dat bestuur, naar hetwelk zich hunne wenschen zoo langen tijd hebben uitgestrekt, en dat niemand hunner, in ondankbaarheid jegens den Almagtige, alle genotene weldaden, al hetgene voor het Vaderland verrigt is, miskenne en minachte, om dat er nog meer te genieten, nog meer te verrigten overig blijft.

Wat mij betreft, Edel Mogende Heeren, ik zal in die pligtmatige pogingen voor het algemeen welzijn, aan welken voortaan ieder oogenblik van mijn bestaan toegewijd is, des te ijveriger en geruster volharden, naar mate ik mij zekerder houden mag van de ondersteuning van hen, die het geheele Nederlandsche Volk, met welgevallen, als zijne wettige vertegenwoordigers beschouwt.

Troonrede van 2 mei 1814

Edel Mogende Heeren!

Na de bekrachtiging der Grondwet, heeft zich mijne eerste en voornaamste zorg bepaald tot de bijeenroeping der Staten-Generaal. Met ongeduld, heb ik het oogenblik te gemoet gezien, waarop ik een gedeelte van het gezag, dat gebiedende omstandigheden mij genoopt hadden, te aanvaarden, op eene geregelde wijze zoude kunnen overlaten aan de vertegenwoordigers der geheele natie.

Maar niet minder werd uwe spoedige bijeenkomst gevorderd door het algemeen belang, daar toch een aantal nuttige en gewigtige instellingen en verordeningen, zonder de medewerking der Staten-Generaal, geene plaats konden vinden.

Ik heb mij, om deze redenen, en voldoende aan de verwachting en den wensch der aanzienlijken, aan welker uitspraak wij de Grondwet verschuldigd zijn, met de eerste keuze der leden van deze vergadering belast en ik houde mij verzekerd, dat de natie in deze handelwijze mijne even bestendige als natuurlijke zucht voor haar welzijn en in U, Edelmogende Heeren, hare waardige vertegenwoordigers herkennen zal. Ik mag U de moeijelijkheid van de taak niet ontveinzen, welke wij heden met vereende krachten ondernemen.

In geheel nieuwe betrekkingen geplaatst, en daar alles in ons midden en rondsom ons van gedaante veranderd is, vordert ons Vaderland, meer dan eenige andere staat, de onverdeelde aandacht en de bedaarde overweging der regenten. Zeer weinige der instellingen, bij welke het voorheen gebloeid heeft, zijn bewaard gebleven voor den verderfelijken invloed der burgertwisten en der vreemde heerschappij. Wat daarvan te herstellen, wat te wijzigen naar de tegenwoordige omstandigheden, wat misschien te vergeten zij, moet rijpelijk en zonder vooroordeel onderzocht worden.

Allerwege valt de vermindering der voormalige welvaart in de oogen. Zij zal zonder twijfel herleven door de begunstiging van alle industrie; door de ruimste ontwikkeling van het handelsvermogen; door den nog steeds aanwezigen geest van orde, spaarzaamheid en vlijt, die vanouds den Nederlander heeft gekenmerkt. Maar na zoo lange en zoo zware rampen, werken deze middelen langzaam; en zullen wij ’s lands onafhankelijkheid en eer, zullen wij de achting onzer naburen en bondgenooten behouden, dan moeten nu dadelijk de oprigting van het leger voltooid, de herstelling der zeemagt voortgezet, de bezetting der koloniën voorbereid worden: allen voorwerpen van aanmerkelijke kosten en uitgaven, terwijl de inkomsten nog lange zullen getuigen van de verarming, die een noodlottig tijdperk bij de ingezetenen van alle standen te weege heeft gebragt.

De financiële schikkingen, welke ik, in deze omstandigheden, meest raadzaam geoordeeld heb, en die het mij aangenaam zijn zal, eerstdaags, aan uwe overweging te kunnen voorstellen, Zijn strekkende, om den lande de zoo hoog benoodigde penningen te verschaffen, zonder den ontluikenden handel van zijne kapitalen te berooven of te drukken door verzwaarde belastingen, en om tevens, eens vooral, het lot der rentheffers van den Staat regelmatig en pligtschuldig te verzekeren. Zoo deze schikkingen door de voorzigtigheid en ervarenis van U Edelmogenden worden gebillijkt, zal ik geene reden hebben, om aan den goeden uitslag mijner pogingen, in een zoo gewigtig onderwerp te twijfelen.

Even belangrijk is de regeling van al hetgeen tot de voortdurende beveiliging des Lands door het wapenen der ingezetenen zelve betrekking heeft. Ik heb mij daarmede reeds met den vereischten ernst bezig gehouden, en de wet, die de constitutie ten aanzien van het getal en de inrigting der landmilitie vordert, zal, naar ik vertrouwe, nog in de thans beginnende zitting, aan U Edel Mogenden voorgedragen kunnen worden.

Ik hoop U insgelijks, binnen weinige dagen, de ontwerpen aan te bieden, die ik omtrent de instelling, van een hoog militair geregtshof en de regtspleging in delicten van het krijgsvolk te water en te lande, door eene speciale commissie heb doen vervaardigen. Ik moet de examinade en beoordeeling dezer ontwerpen des te meer aan uwen ijver aanbevelen, om dat de dagelijksche ondervinding, ten duidelijkste, de onvolledigheid en ontoereikendheid der thans vigerende bepalingen bewijst.

Minder dringende, maar echter in allen deele wenschelijk en noodzakelijk, is de herziening en hervorming van het geheele systema van regten, dat de Franschen aan dit Land hadden opgedrongen, en de bij de Grondwet voorgeschrevene invoering van een algemeen wetboek. Deze taak heb ik opgedragen aan mannen, welker oordeel en kunde reeds in gelijksoortige werkzaamheden beproefd, ons met vertrouwen mogen doen te gemoet zien, het onschatbaar voordeel van wetten, berekend naar den aard des volks, naar den toestand der maatschappij en naar de vorderingen van den menschelijken geest, en waarvan de uitvoering vrij, zoo wel van overijling als van noodelooze formaliteiten, tevens bewaard blijve voor die willekeurige vertragingen en andere misbruiken, die voorheen zoo vele burgers hebben benadeeld, en, sedert lang, door alle deskundigen zijn gewraakt. Hoe gewichtiger de werkzaamheden zijn, welke het regelen onzer inwendige belangen vordert, hoe aangenamer het mij is U Edel Mogenden de verzekering te kunnen geven, dat dezelve door geene bekommering over de buitenlandsche betrekkingen van den staat zullen worden gestoord of afgebroken.

Door gematigd en billijk te zijn jegens allen, een stelsel niet minder overeenkomstig met mijne persoonlijke neigingen, dan met de gezonde staatkunde, zullen de gevoelens van welwillendheid en edelmoedige vriendschap aangekweekt worden, welke de vreemde Mogendheden, en bijzonder Groot-Brittannie, jegens ons vaderland hebben aan den dag gelegd, en, schenk ons de Almagtige Zijnen zegen, zullen wij de voldoening genieten van door een dragtigen ijver dat vaderland vroeger dan zoovele andere Staten, die met hetzelve geleden hebben, hersteld te zien in zelfstandige magt, in voorspoed en in dien rang, welke voor het belang van geheel Europa en de duurzaamheid van den vrede niet minder wenschelijk is, dan voor ons zelven.

Inhuldigingsrede

Mijne Heeren!

Het is voor mij een uitstekend genoegen, mijn oordeel over de Grondwet door de verklaring van zoo vele brave en kundige mannen bevestigd te zien.

Niet minder aangenaam zijn mij de betuigingen van ijver en verkleefdheid, die Ik, bij deze plegtige gelegenheid, van eene zoo aanzienlijke vergadering mag ontvangen.

Alles moet ons aanmoedigen, om in onze pogingen, ten beste van het vaderland, onvermoeid te volharden: de nationale eer, ons wel begrepen belang, de zigtbare gunst, met welke de Allerhoogste ons bijstaat!

Juist heden, zijn er vier maanden verloopen, sedert ik in Nederland terug kwam, en, in dit korte tijdsbestek, zijn wij in het groote werk der herstelling van den Staat veel meer gevorderd, dan iemand had durven verwachten.

De vreemde Mogendheden hebben de herwinning van ons onafhankelijk bestaan niet alleen toegejuicht, maar ook hare tevredenheid over de opdragt der Souvereiniteit aan mijn Huis gestaafd door daden, welke Ons allen eene onbegrensde dankbaarheid moeten inboezemen.

De gewigtigste onzer buitenlandsche betrekkingen, die met het edelmoedige Groot-Brittannië, zullen eerlang door de huwelijksverbindtenis van mijnen oudsten Zoon eenen nog hoogeren trap van vertrouwelijkheid en wederkeedge dienstvaardigheid bereiken.

Niets echter doet mij geruster de toekomst te gemoet zien, dan de ondervinding, die ik heb van de gezindheid en de stemming der natie zelve.

Hare bereidvaardigheid voor de goede zaak heeft mij in staat gesteld om, in weinige weken, in dit uitgeputte en van alles beroofde Land, meer dan vijf en twintig duizend man op de been te brengen, van welke het grootste gedeelte, wel gewapend en uitgerust, eerstdaags, onder aanvoering mijner beide Zonen, op de grenzen vereenigd zijn zal.

Hare eendragt, in alles, wat de groote belangen betreft, is door de snelle vorming van de landmilitie, van den landstorm en van de schutterijen, en nu door de aanneming zelve der Grondwet, ten duidelijkste gebleken. Ik weet, mijne Heeren! dat ik u aller wenschen te gemoet kome, door te zorgen voor de onverwijlde invoering der Grondwet, en door, te dezen einde, alle die maatregelen te nemen en alle die aanstellingen te doen, zonder welke hare werking nog lang onvolledig en gebrekkig blijven zoude.

Ook zal, van nu af aan, deze gewigtige taak mijne aandacht voornamelijk bezig houden, en in derzelver vervulling zal ik door die zelfde onpartijdigheid en zorgvuldigheid voor de algemeene welvaart geleid worden, welke ik tot dus verre getracht heb, in iedere daad mijner Regering, uit te drukken.

Blijft de Grondwet in haren geest en strekking ongeschonden, zoo blijft het Vaderland tevens bewaard voor alle verdeeldheid, voor alle twisten over het gezag, voor allen naijver tusschen de provinciën. Zij laat aan de redelijke ingezetenen geene meerdere vrijheid, aan den Souverein geene ruimere magt te wenschen over.

Maar Volk en Vorst, Regenten en Geregeerden vinden, in hare billijke en liberale voorschriften, de aanleiding en den waarborg tevens van hunne onderlinge eenstemmigheid en zamenwerking.

En het is in deze gevoelens, die de vrucht zijn van eene langdurige en bedaarde overweging, en die nog worden versterkt en verhoogd door de plegtigheid van dit gedenkwaardig oogenblik, dat ik mij bereid verklare, om, in handen van deze vergadering, als representerende de Vereenigde Nederlanden, den eed af te leggen, welke de Grondwet voor den Souvereinen Vorst bepaalt.