Troonrede van 16 september 1861

Mijne Heeren! Dankbaar erken Ik het voorregt, bij de opening van deze Vergadering, wederom tot gunstige mededeelingen omtrent de aangelegenheden van het Vaderland in staat te zijn. -Wel hebben in den laatsten winter eenige provincien de noodlottige gevolgen van ijsgang en overstrooming ondervonden, en hoog steeg de nood, in de geteisterde streken, doch de zucht …