Troonrede van 20 september 1898

Mijne Heeren! Eenige dagen zijn voorbijgegaan sedert het plechtig oogenblik, waarop Ik, na de regeering aanvaard te hebben, in Uw midden den eed aflegde en Uwe huldiging ontving. Talloos waren de bewijzen van vaderlandsliefde en gehechtheid aan Mijn Stamhuis. De herinnering daaraan zal bij Mij onuitwischbaar zijn. Thans roept U de aanvang van het zittingjaar …