Troonrede van 17 september 1849

Mijne Heeren! Ik verheug Mij in het voorregt, U andermaal om Mij vergaderd te zien, en ditmaal, om, van de plaats, door Mijnen onvergetelijken Vader vroeger zoo waardig bekleed, eene nieuwe zitting voor U te openen, waarin Gij geroepen wordt, de dierbaarste belangen des Vaderlands met Mij te behartigen, en verdere uitvoering te geven aan …