Troonrede van 17 september 1860

Mijne Heeren! Wederom mag Ik Uwe Vergadering openen met een gevoel van dankbaarheid. Ons Vaderland, mild gezegend, handhaaft zich op zijne plaats onder de overige Staten. Onze betrekkingen met alle Mogendheden dragen blijken eener wederzijds gewenschte vriendschap. Onze Zee- en Landmagt gaan loffelijk voort, zich meer en meer in staat te stellen, ten allen tijde …