Mijne Heeren! De Koning heeft ons den last opgedragen in Zijnen naam deze Vergadering der Staten-Generaal te openen. De naauwlijks aangevangene werkzaamheden der vorige zitting werden onverwachts gestaakt door den gewigtigen maatregel, dien Zijne Majesteit noodig heeft geoordeeld in het diepgevoeld besef van Zijne roeping om als Hoofd van den Staat, boven alle partijen verheven, …
